Twee stromen in krantenland

Imagine that you walked into a 400-year old market where the clerks hand you and every other customer an identical bag containing exactly the same mix of some 50 items and they tell you it contains what the supermarket’s manager thought you and everyone else should or would like to eat. Despite its venerable history, would you shop at this market again?

Vin Crosbie, de New Yorkse criticaster van de Amerikaanse krantenindustrie, heeft niet zo veel op met de krantenindustrie. Dirk Singer citeert hem gretig in de presentatie (zie hieronder) die hij gisteren online zette. Het is een samenballing van een artikel over de toekomst van de huidige krantenmerken. Singers conclusie is minder pessimistisch dan die van Crosbie, maar ook hij moet vaststellen dat de gouden tijden van de krantenbusiness nooit meer gaan terugkeren. Ondanks dat het bereik van Britse kranten de laatste jaren alleen maar is gestegen (dankzij online-successen…), blijven de inkomsten verder dalen.

Dat betekent volgens Singer dat een deel uiteindelijk zal sneuvelen en de rest van de huidige krantenmerken in een tweestromenland terecht komt. Een deel gaat door in print (voor een kleiner, niche-achtig publiek en met meer nadruk op kwaliteit), een ander deel online (met mogelijk wel nog steeds een massapubliek).

Print Media RIP?

     

View more presentations from Dirk Singer.

De Nederlandse situatie wijkt af van de Britse, in die zin dat het hier minder makkelijk is om een website winstgevend te maken. De Volkskrant kan bijvoorbeeld niet zoals the Guardian gebruik maken van een bijna onbeperkt taalgebied – en daardoor tientallen miljoenen unieke Amerikaanse bezoekers trekken. Maar ook hier zouden er, al dan niet na een shakeout, twee stromen kunnen ontstaan. Aan de ene kant zijn er dan de titels die kunnen overleven dankzij een klein maar trouw publiek dat bereid is te blijven betalen voor de krant en daarin eventueel gesteund worden door weldoeners. En aan de andere kant blijven de merken die op de online-platforms zoveel massa weten te bereiken dat adverteerders daar geld in willen steken.

Het ligt trouwens niet voor de hand dat dit spel alleen gespeeld gaat worden door de nu actieve titels en uitgeefconcerns. Zowel in print als online komen er ook nieuwe journalistieke merken in beeld, waarvan een deel het uiteindelijk ook weer niet gaat volhouden. Traditionele krantenconcerns brokkelen af of veranderen van functie, maar dat laat onverlet dat er in een democratische samenleving ruimte blijft voor journalistieke activiteiten. Al kan het geen kwaad om die – zeker in de overgangstijd waarin we nu leven – af en toe een steuntje in de rug te geven. Niet om koste wat kost een titel, een editie, een deelredactie of een redacteur in de lucht te houden, maar wel om te voorkomen dat met het aantasten van de “nutsvoorziening” die een goede journalistiek zou moeten zijn, ook  de democratie onnodig veel schade ondervindt. 

Wat de ondergrens is als het gaat om journalistieke kracht in een bepaald gebied, is niet met wiskundige formules te bepalen. Net zo min als vastgesteld kan worden wanneer er sprake is van een overschrijding van die grens en daarmee van een gevaar voor de samenleving. Wat wel helder is, is dat uiteindelijk de markt zelf de oplossing moet leveren en dat duwtjes in de rug slechts van tijdelijke aard mogen zijn. We moeten accepteren dat ook de informatie-industrie onderhevig is aan Darwinistische wetten: het is een komen en gaan van soorten en alleen de best aangepasten kunnen overleven.