In the year… 2020

In een kleine variant op het beroemde nummer van Zager & Evans, komt Thomas Baekdal met een reeks interessante gedachten over de plekken waar mensen elkaar in de nabije toekomst gaan ontmoeten. Conclusie: wat rond 1800 de marktplaats was, is daarna geleidelijk overvleugeld door kranten en tv, om binnenkort op hun beurt weer overgenomen te worden door social newssites. Grafisch wergegeven:

Grafiek van www.baekdal.com
Grafiek van www.baekdal.com

Terugkijken is niet zo moeilijk, dus over de periode tussen 1800 en pakweg 2009 zal weinig debat zijn. Maar discutabeler – en daarmee interessanter – wordt het waar Baekdal de toekomst in tuurt. Geen kranten meer vanaf 2020, een marginaal bestaan voor tv. De echte interactie vindt plaats op sociale netwerken maar vooral rondom het concept van sociaal nieuws: burgers die elkaar informeren en daar helemaal geen traditionele media bij nodig hebben. In feite zijn we in die visie terug bij de marktplaats, maar dan wat massaler, want digitaal en dus zonder ruimtebeperking georganiseerd.

Juist daarover is ook nu al aardig wat debat, ook in Nederland. Zo wees onderzoeker Tom Bakker van de Universiteit van Amsterdam er vorige week bij BNR Mediazaken al op dat dit in theorie misschien wel mogelijk is, maar journalisten in de praktijk nog steeds die maatschappelijk relevante rol hebben die hen onderscheidt van gewone burgers. “Mensen zijn relatief lui; een mailtje of een foto naar de Volkskrant sturen doen ze nog wel maar verder dan dat gaat het eigenlijk niet als het gaat om nieuws maken.”

Waarschijnlijk heeft hij, voor het moment en voor onze specifieke omgeving, gelijk. Maar de trend is desondanks zichtbaar. In de jaren negentig van de vorige eeuw ontstonden er al technieken en structuren die de ooit onomstreden unieke waarde van de journalistieke beroepsgroep aantastten. Bijna alle traditioneel slechts voor journalisten toegankelijke bronnen werden voor iedere burger – als die dat wilde – bereikbaar. Camera’s in handen van toevallige passanten, van exploitanten van Amsterdamse parkeergarages of  op pr beluste politici maken het nu mogelijk dat iedereen live mee kan maken wat men vroeger slechts via journalisten kon volgen. Het verzamelen van informatie is met een simpele zoekopdracht in Google een peuleschil en voor het op waarde schatten ervan gebruiken we onze virtuele vrienden in onze los samengestelde sociale netwerken.

Zelfs het maken en oneindig verspreiden van informatie ligt inmiddels voor iedereen binnen bereik: een onbetaalbare drukpers is vervangen door gratis webpagina’s. Specifieke gratis software en betaalbare video-apparatuur doen de rest. Iedereen kan uitgever worden en de aspecten die een ‘gewoon burger’ tot een journalist maken, zijn ontkoppeld van het bestaan van een uitgeversmaatschappij en slechts afhankelijk van een innerlijke drijfveer en wat specifieke vaardigheden.

Journalisten mogen dan minstens zo veel kunnen als voorheen, inmiddels geldt dat de halve wereld zich hun ooit unieke vaardigheden eigen heeft kunnen maken. Daarmee is hun onderscheidende waarde weggevaagd, zonder dat ze – bekeken vanuit de oude wereld – zelf ook maar een fractie slechter zijn gaan functioneren. Hun beroep is gedemocratiseerd. Hetgeen, vanuit een maatschappelijk perspectief, goed is, maar grote gevolgen heeft voor de oude uitoefenaars van het beroep en misschien nog wel grotere voor de uitgeefhuizen waar ze tot op dit moment een natuurlijk onderdak vinden.