En Het Is Niet Onopgemerkt Gebleven…

De vraag kwam de laatste dagen nogal eens naar boven: wat vinden jullie zelf van de publiciteit van afgelopen week? Ach, de verzuchting is bekend: je gelooft in de accuratesse van de journalistiek, tot je zelf een keer het onderwerp van publiciteit bent.
De eerste reacties op het rapport van de Commissie Brinkman waren feller dan gedacht en met name online woedde de discussie. Dat viel te verwachten, maar dat wil nog niet zeggen dat het zo heftig zou zijn. Maar was het eigenlijk wel een discussie? Of was het meer een race om nog spitsvondiger equivalenten van de gewraakte internetheffing te zoeken?
Het was ook duidelijk dat slechts bijzonder weinigen de moeite hadden genomen om het rapport echt te lezen voordat er gereageerd werd. En één mening is voldoende inhoud om minimaal tien andere meningen te voeden. Zelfs commentatoren die vanuit hun expertise om een reactie waren gevraagd hadden deze al klaar voordat ze wat gelezen hadden.
Opvallend waren dan ook later de mailtjes van sommigen die in tweede instantie het rapport wel hadden gelezen, en van zichzelf constateerden dat ze misschien wat uit de heup, napratend, verontwaardigd soms, hadden gereageerd. Een betere illustratie van de stand van de journalistiek, print en online, hadden we ons niet kunnen wensen.
Dit alles is overigens goed nieuws, want als het rapport ergens voor bedoeld was, dan was het wel om het debat over de toekomst van de journalistiek in Nederland aan te wakkeren. En dat is, na die eerste erupties, inmiddels volop aan de gang.
De Commissie-Brinkman heeft zo’n twintig concrete aanbevelingen gedaan die het ondernemerschap in medialand moeten bevorderen en de basis voor de journalistiek moeten versterken. De oude journalistieke centra, de kranten, waren daarbij weliswaar het vertrekpunt, maar de adviezen zelf gaan verder; ze raken alles en iedereen die zich met journalistiek bezighoudt. Tenminste, als ze zich willen laten raken. Want dat blijft zoals het altijd was: met uitzondering van de publieke omroep, zijn alle journalistieke centra in nederland commerciele bedrijven waarvan de leiding zelf kan bepalen wat goed voor ze is.
Het mooie van het rapport is dat iedereen die journalistiek vooruit wil, er wat uit kan halen. Maar daarvoor moeten de meest betrokken partijen wel wat stappen willen zetten. De politiek op de eerste plaats, door serieus werk te maken van de aanbevelingen. Zeker waar die gericht zijn op aanpassingen in wet- en regelgeving, gaat daar doorgaans nogal wat tijd overheen. Er is politieke moed nodig, vooral waar afstand genomen moet worden van oude standpunten. Er moeten wat heilige huisjes sneuvelen, bijvoorbeeld in relatie tot het omroepbestel.
Maar daar kan het niet bij blijven. Deze politieke moed zal een evenknie moeten vinden in gedurfd ondernemerschap uit de sector. Leidraad daarbij: het besef dat de veelheid aan onlineplatforms doeltreffender is voor de meeste journalistieke boodschappen, dan de oude media dat waren. Natuurlijk hoeven we de kranten, nieuwsbladen en opinietijdschriften niet per direct af te schrijven, maar wel is dit het moment voor realisme: uit oogpunt van kosten, snelheid en inhoudelijke mogelijkheden is internet effectiever dan papier. Daar staat tegenover dat er wel degelijk nog een probleem zit aan de omzetkant, maar hier en daar zijn ook al voorbeelden om dat te doorbreken.
Het behoeft nauwelijks betoog dat het niet louter een kwestie is van dezelfde content gewoon maar even op een ander platform te plaatsen. Wie echt wat wil betekenen de komende tijd, zorgt ervoor dat er een structuur ontstaat die rekening houdt met zowel de veel grotere technische en inhoudelijke mogelijkheden als de veranderende wensen van het publiek. Kernwoorden daarbij: transparantie, tweerichtingverkeer, social network, snelheid, connectiviteit en convergentie van platforms.
De commissie is klaar, de eerste al dan niet doordachte reacties zijn gehoord, het is nu tijd voor het serieuze werk.

Deze bijdrage is geschreven door Paul Molenaar en Bart Brouwers, beiden tussen januari en juni 2009 lid van de Commissie-Brinkman.