21 Aanbevelingen en 1 Tipje

(deze bijdrage is geschreven op uitnodiging van het Financieele Dagblad, waar ze op 3 juli wordt gepubliceerd)

Minder regelgeving, meer ruimte voor ondernemerschap, een stimulans voor samenwerking tussen ‘publieken’ en ‘commerciëlen’, een lading aan voorstellen voor innovatie en hier en daar wat extra onderzoek. De Tijdelijke Commissie Innovatie en Toekomst Pers, de commissie-Brinkman, wist dat met 8 miljoen euro de krantensector niet gered kon worden. Ze heeft zich in het rapport ‘De volgende editie’, daarom vooral gericht op maatregelen waar de journalistiek in de volle breedte (online, print, omroep) haar voordeel mee kon doen. Het leidde tot 21 adviezen waar de journalistiek, de politiek, uitgevers en bestuurders de tanden in stuk kunnen bijten.

En oh ja, helemaal aan het einde van dat verslag was er ook nog een tipje. Letterlijk de laatste alinea van het rapport. Denk eens na, luidde de overweging, over een methode om onder nieuwsconsumenten meer besef te laten doorklinken dat nieuws weliswaar vrijelijk over het net vliegt, maar dat journalistiek wel degelijk geld kost. Als je daarvoor zo’n twee euro per internetaansluiting per jaar zou vragen (een kop koffie is duurder), zou dat zelfs een mooi aanvullend bedrag kunnen opleveren dat ten goede kan komen aan journalistieke innovatie.

We hebben het geweten. Aangezwengeld door Trouw, dat dit nieuwtje al voor de presentatie van het rapport op de voorpagina van de krant wist te melden, buitelde iedereen over elkaar heen om — gebruik makend van de meest ingenieuze vergelijkingen — deze gedachte als volkomen ridicuul van de hand te wijzen.

Je zou denken: punt gemaakt, volgende keer wat handiger aanpakken en over tot de orde van de dag, werk maken van de echte kern van het rapport. Maar dat viel nog niet mee. Want in elk debat, elke discussie, elk interview en elk artikel kwam ook de dagen daarna telkens dit ene punt weer bovendrijven. Ook in het FD.

Nee, het hielp niet dat we bleven uitleggen dat dit niet de kern van het advies was, dat de internetheffing niet eens bij de officiële aanbevelingen stond en dat de echte voorstellen op geen enkele manier gefinancierd hoefden te worden met de opbrengst van zo’n heffing. En áls er al ooit zo’n heffing zou komen, dat deze dan zeker niet bedoeld was om ‘kranten te redden’, maar juist om journalistieke innovatie te bespoedigen.

We zullen ermee moeten leven dat dit rapport ook over vijf jaar vooral nog bekend zal staan als het vermaledijde advies over de internetheffing. Los daarvan gaat het gelukkig inmiddels ook om die 21 aanbevelingen. Daarmee is ondanks de commotie een belangrijk doel van de commissie al bereikt: het debat over de toekomst van de journalistiek in Nederland aanwakkeren.

Maar wat ons betreft is dat pas het begin. Het rapport wil vooral het ondernemerschap in medialand bevorderen en — mede daardoor — de basis voor de journalistiek versterken. De oude journalistieke centra, de kranten, zijn daarbij weliswaar als vertrekpunt gebruikt, maar de adviezen zelf gaan verder; ze raken alles en iedereen die zich met journalistiek bezighoudt. Tenminste, als ze zich willen laten raken.

Het mooie van het rapport is dat iedereen die journalistiek vooruit wil, er wat uit kan halen. Maar daarvoor moeten de meest betrokken partijen wel wat stappen willen zetten. De politiek op de eerste plaats door serieus werk te maken van de aanbevelingen. Zeker waar die gericht zijn op aanpassingen in wet- en regelgeving, gaat daar doorgaans nogal wat tijd overheen. Denk daarbij aan de wet mediaconcentraties of aan de mogelijk verstorende rol van de Ster.

Er is politieke moed voor nodig om oude partijstandpunten te laten sneuvelen, bijvoorbeeld in relatie tot het omroepbestel. Omroepgegevens beschikbaar stellen, programma’s zelf (inclusief de technische inbedding) vrijgeven, alles onder het motto dat wat met publiek geld bekostigd is, ook zo breed mogelijk ter beschikking van het publiek moet komen.

Maar daar kan het niet bij blijven. Deze politieke moed zal een evenknie moeten vinden in gedurfd ondernemerschap uit de sector. Leidraad daarbij wat mij betreft: het besef dat de veelheid aan onlineplatforms doeltreffender is voor de meeste journalistieke boodschappen dan de oude media dat waren. Natuurlijk hoeven we de kranten, nieuwsbladen en opinietijdschriften niet per direct af te schrijven (ze hebben ook zo hun voordelen), maar wel is dit het moment voor realisme: uit oogpunt van kosten, snelheid en inhoudelijke mogelijkheden is internet effectiever dan papier.

Daar staat tegenover dat er wel degelijk nog een probleem zit aan de omzetkant, maar hier en daar zijn ook al voorbeelden om dat te doorbreken. Bovendien: juist daarvoor is gedurfd ondernemerschap — met hier en daar een klein zetje van de overheid — de sleutelformule.

Wie echt wat wil betekenen de komende tijd, zorgt voor een structuur die rekening houdt met zowel de veel grotere technische en inhoudelijke mogelijkheden als de veranderende wensen van het publiek. Kernwoorden daarbij: transparantie, snelheid, interactie, connectiviteit en convergentie.

De commissie is klaar, de eerste al dan niet doordachte reacties zijn gehoord, het is nu tijd voor het serieuze werk.