Journalistiek in Diskrediet?

Journalistiek in Diskrediet is de titel van een bundel die donderdag verschijnt. Het boek, een verzameling van elf artikelen over de staat van de journalistiek en de mogelijke consequenties daarvan, gaat dieper in op het thema dat onderzoeksjournalist Nick Davies begin dit jaar aansneed in zijn KIM-college in Utrecht. Hij constateerde daar, op basis van eigen onderzoek, dat de kwaliteit van de journalistiek – en van de media die daarop draaien – onder grote druk staat. Verschillende auteurs gaan in op de vraag hoe erg dat is voor die journalisten, hun vakgebied, de media en de samenleving.

Op DeJournalist.nl leggen de samenstellers van de bundel, Kees Buijs en Bert Ummelen, uit dat het van groot belang is dat journalisten hun eigenwaarde, hun trots hervinden. In die zin sluiten ze enigszins aan bij de oproep die Telegraaf-hoofdredacteur Sjuul Paradijs vorige week deed in Leiden. Mooie woorden en nog mooiere bedoelingen. Maar zonder te willen suggereren dat Paradijs, Buijs of Ummelen het daarbij laten, ben ik ervan overtuigd dat de werkelijke redding heel ergens anders te halen valt. Als één van de auteurs van “Journalistiek in Diskrediet” probeer ik toe te lichten waar dan wel. Vandaag op Dode Bomen alvast een passage uit dat hoofdstuk.

De neergang van de ooit zo belangrijke kranten-imperia gaat niet zonder slachtoffers. Het betekent het einde van een tijdperk waarin kranten een samenbindende rol speelden voor een belangrijk deel van de maatschappij. Zij konden, vanuit een soort geprofessionalisserde burgerzin, bepalen wat belangrijk was en wat niet. Maar de nieuwe tijden dicteren inmiddels een andere werkelijkheid: noch voor de specifieke nieuwsberichten, noch voor de duiding ervan, noch voor de bredere geestelijke verrijking, noch voor de sociale binding is een krant nog echt nodig.
Het goede nieuws is dat de democratie er – ondanks de niet te onderschatten waarde van de journalistiek zoals die in het laatste kwart van de vorige eeuw is gegroeid – niet slechter van hoeft te worden. Wie er voor open staat, ziet vergezichten met volledig open netwerken waar journalistieke informatie door eenlingen en organisaties wordt gedeeld en verrijkt. Via blogs, open docs, microblogs, wiki’s, noem maar op. Maar ook langs nog nieuwere kanalen, die gebruik maken van zowel de openbare ruimte als de privé-omgeving. Wat nu nog als overdrijving geldt (”als het belangrijk genoeg is, komt het nieuws wel naar mij toe”) is straks de regel: mede dankzij het semantische web is, voor ieder die dat wil, op elk moment precies die informatie beschikbaar die bij hem past.
Dat betekent wel dat er minder te bespreken valt aan de keukentafel of in de koffiehoek op het werk. We hebben immers allemaal onze eigen netwerkjes, die constant fluctueren en hoogstens deels met elkaar overlappen. Dáár vinden we ons debat, onze koffiehoek en daar ook kunnen we de geboden informatie gezamenlijk naar een hoger plan tillen. Het gesprek van de dag – vroeger een opvallend tv-programma dat iedereen gezien had of een opvallend samenbindend nieuwsfeit – krijgt een ander karakter en wordt gevormd door duizenden verschillende en vaak tegengestelde geluiden en meningen.
Serendipiteit – het vinden van iets onverwachts en bruikbaars terwijl je op zoek bent naar iets totaal anders – was voor kranten jarenlang een unieke waarde. Maar het is de vraag of de schijn van een totaalpakket voor de gemiddelde krantenlezer ook zo aantrekkelijk was geweest als die eerder een alternatief had gehad. Hoe dat ook zij, dat pakket doorgaat een onontkoombare ontbundeling. Thematisch, geografisch, of qua vorm, op alle mogelijke manieren ontstaan brokstukken die nooit “af” zijn zoals ze dat vroeger waren, altijd in ontwikkeling en daarmee super-actueel. De journalistieke arbeid die eraan ten grondslag ligt is gebaseerd op de transparante kennis en vaardigheden van velen; consumenten en producenten zijn in elkaar verenigd en controleren elkaar tot op het bot.
Ja, het zal een chaos zijn, zeker voor de generatie die gewend was aan de orde van haar vertrouwde dagblad. Maar we gaan er onze weg weer in vinden. Dankzij een nieuwe generatie google-achtigen en dankzij sterke journalistieke ankers, de professionals die erin slagen uit hun journalistieke ivoren toren te stappen en samen met de “amateurs” aan de slag te gaan in het gedemocratiseerde speelveld.
Deze nieuwe journalisten zullen trouwens niet alleen voor de intrinsieke kwaliteit van hun producties de luiken naar het publiek open moeten stellen, ze zullen tevens de eind twintigste eeuw verloren aansluiting met het meer commerciële deel van hun onderneming moeten hervinden. Hoe logisch de strenge scheiding tussen commercie en redactie een kwart eeuw geleden ook was geworden, het heeft geleid tot een onhoudbare situatie. Zeker in een trend van democratisering en individualisering van het nieuwsproces, gecombineerd met de groei van de digitale sociale netwerken, is het logisch dat redacteuren zich weer meer gaan bekommeren om de belangen van partijen die op die nieuwe golven kunnen meesurfen. Niet alleen logisch trouwens; het is ronduit gevaarlijk om het niet te doen.
Het is in dit verband verstandig om heel goed te kijken naar wat er aan die extreem omvangrijke, vrije stroom van informatie ten grondslag ligt. Wat zijn de drijfveren die ervoor zorgen dat relevante, originele content direct wordt doorgesluisd naar andere gebruikers? We zien commerciële, journalistieke en sociale aanleidingen, al naar gelang het eerste doel is om er geld mee te verdienen, relevantie te benadrukken of er met vrienden over te discussiëren. Al die aspecten komen van pas in het nieuwe journalistieke speelveld. Want hoe divers ook de drijfveren en beoogde doelen, het resultaat draagt in alle gevallen bij aan grotere, meer gelaagde en breder gedeelde kennis. Dat is winst. En dus zal er de komende tijd veel energie moeten opgaan aan het ook zelf gebruik gaan maken van die commerciële, journalistieke en sociale processen, in plaats van erover te klagen dat anderen dat (om jou heen of erger nog, met jouw content) gaan doen.
Journalisten en klassieke nieuwsorganisaties die inzien dat hun toegevoegde waarde is afgenomen, zullen zich in eerste instantie misschien slachtoffers voelen van de internettijd. Maar wie verder wil kijken, moet kunnen inzien dat er nieuwe waarde gecreëerd moet worden om bestaansrecht te houden. De hoogte van die waarde ligt in de mate waarin journalisten erin slagen de nieuwe sociale patronen van hun publiek in lijn te brengen met de communicatiebehoeften van partijen die daarop willen meeliften. Dat betekent dat een goede journalist zich nog steeds kan onderscheiden (en daarmee zijn individuele waarde kan bepalen) door het creëren van unieke en relevante brokken informatie, alleen zal hij zich veel meer rekenschap moet geven van de plek die hij daarbij wil innemen in de hele keten die het sociale speelveld bepaalt. De klassieke wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe, krijgen ernstige concurrentie van: via wie verzameld, met wie gecreëerd, voor wie gemaakt, door wie betaald en hoe verder verbeterd. De krant als dagelijks eindproduct heeft zijn langste tijd gehad; de conversatie – waarbij de journalist een slimme positie tussen ontelbare zenders en ontvangers heeft ingenomen – is de kern van het nieuwe businessmodel.

De oude krantenbedrijven hebben eeuwenlang kunnen bepalen wat belangrijk was en wat niet. Burgers die aan het maatschappelijk debat wilden deelnemen, konden niet om hun producten heen. Maar de nieuwe tijden dicteren inmiddels een andere werkelijkheid: noch voor het laatste nieuws, noch voor de duiding ervan, noch voor de bredere geestelijke verrijking, noch voor de sociale binding is een krant nog echt nodig.

Het goede nieuws is dat de democratie er – ondanks de niet te onderschatten waarde van de journalistiek zoals die in het laatste kwart van de vorige eeuw via de kranten is gegroeid – niet slechter van hoeft te worden. Wie er voor open staat, ziet vergezichten met volledig open netwerken waar journalistieke informatie door eenlingen en organisaties wordt gedeeld en verrijkt. Via blogs, open docs, microblogs, wiki’s, noem maar op. Maar ook langs nog nieuwere kanalen, die gebruik maken van zowel de openbare ruimte als de privé-omgeving. Wat nu nog als overdrijving geldt (”als het belangrijk genoeg is, komt het nieuws wel naar mij toe”) is straks de regel: mede dankzij het semantische web is, voor ieder die dat wil, op elk moment precies die informatie beschikbaar die bij hem past.

Dat betekent wel dat er minder te bespreken valt aan de keukentafel of in de koffiehoek op het werk. We hebben immers allemaal onze eigen netwerkjes, die constant fluctueren en hoogstens deels met elkaar overlappen. Dáár vinden we ons debat, onze koffiehoek en daar ook kunnen we de geboden informatie gezamenlijk naar een hoger plan tillen. Het gesprek van de dag – vroeger een opvallend tv-programma dat iedereen gezien had of een opvallend samenbindend nieuwsfeit – krijgt een ander karakter en wordt gevormd door duizenden verschillende en vaak tegengestelde geluiden en meningen.

Serendipiteit – het vinden van iets onverwachts en bruikbaars terwijl je op zoek bent naar iets totaal anders – was voor kranten jarenlang een unieke waarde. Maar het is de vraag of de schijn van een totaalpakket voor de gemiddelde krantenlezer ook zo aantrekkelijk was geweest als die eerder een alternatief had gehad. Hoe dat ook zij, dat pakket doorgaat een onontkoombare ontbundeling. Thematisch, geografisch, of qua vorm, op alle mogelijke manieren ontstaan brokstukken die nooit “af” zijn zoals ze dat vroeger waren, altijd in ontwikkeling en daarmee super-actueel. De journalistieke arbeid die eraan ten grondslag ligt is gebaseerd op de transparante kennis en vaardigheden van velen; consumenten en producenten zijn in elkaar verenigd en controleren elkaar tot op het bot.

Ja, het zal een chaos zijn, zeker voor de generatie die gewend was aan de orde van haar vertrouwde dagblad. Maar we gaan er onze weg weer in vinden. Dankzij een nieuwe generatie google-achtigen en dankzij sterke journalistieke ankers, de professionals die erin slagen uit hun journalistieke ivoren toren te stappen en samen met de “amateurs” aan de slag te gaan in het gedemocratiseerde speelveld.

Het is in dit verband verstandig om heel goed te kijken naar wat er aan die extreem omvangrijke, vrije stroom van informatie ten grondslag ligt. Wat zijn de drijfveren die ervoor zorgen dat relevante, originele content direct wordt doorgesluisd naar andere gebruikers? We zien commerciële, journalistieke en sociale aanleidingen, al naar gelang het eerste doel is om er geld mee te verdienen, relevantie te benadrukken of er met vrienden over te discussiëren. Al die aspecten komen van pas in het nieuwe journalistieke speelveld. Want hoe divers ook de drijfveren en beoogde doelen, het resultaat draagt in alle gevallen bij aan grotere, meer gelaagde en breder gedeelde kennis. Dat is winst. En dus zal er de komende tijd veel energie moeten opgaan aan het ook zelf gebruik gaan maken van die commerciële, journalistieke en sociale processen, in plaats van erover te klagen dat anderen dat (om jou heen of erger nog, met jouw content) gaan doen.

Journalisten en klassieke nieuwsorganisaties die inzien dat hun toegevoegde waarde is afgenomen, zullen zich in eerste instantie misschien slachtoffers voelen van de internettijd. Maar wie verder wil kijken, moet kunnen inzien dat er nieuwe waarde gecreëerd moet worden om bestaansrecht te houden. De hoogte van die waarde ligt in de mate waarin journalisten erin slagen de nieuwe sociale patronen van hun publiek in lijn te brengen met de communicatiebehoeften van partijen die daarop willen meeliften. Dat betekent dat een goede journalist zich nog steeds kan onderscheiden (en daarmee zijn individuele waarde kan bepalen) door het creëren van unieke en relevante brokken informatie, alleen zal hij zich veel meer rekenschap moet geven van de plek die hij daarbij wil innemen in de hele keten die het sociale speelveld bepaalt. De klassieke wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe, krijgen ernstige concurrentie van: via wie verzameld, met wie gecreëerd, voor wie gemaakt, door wie betaald en hoe verder verbeterd. De krant als dagelijks eindproduct heeft zijn langste tijd gehad; de conversatie – waarbij de journalist een slimme positie tussen ontelbare zenders en ontvangers heeft ingenomen – is de kern van het nieuwe businessmodel.