Plasterk kiest veilige route

De relatieve stilte na het verschijnen van de beleidsreactie van minister Plasterk op het advies van de commissie-Brinkman, was opvallend. Natuurlijk werd er vorige week in diverse media verslag gedaan van zijn 27 pagina’s tellende brief. Maar er was geen opwinding, geen applaus, nauwelijks verontwaardiging en totaal geen debat. Dat kan twee oorzaken hebben: ofwel zijn Plasterks beleidsvoornemens zo onomstreden dat iedereen het er mee eens is, ofwel zijn ze zo weinig verrassend dat ze niet meer dan een schouderophalen kunnen opleveren.

Ik vermoed dat het laatste het geval is. Plasterk schrijft dat hij veel van de adviezen van Brinkman heeft overgenomen en dat is ook zo. Maar tegelijkertijd heeft hij er ook enkele duidelijk terzijde geschoven en van de rest heeft hij de scherpe kantjes afgehaald. Geen toeval natuurlijk, want onze mediaminister wil ze de komende maanden zo ongeschonden mogelijk door een politiek proces loodsen. De realist in mij zegt dat dat verstandig is. Om in elk geval nog íets gedaan te krijgen ter versterking van de journalistiek in Nederland. Maar diezelfde realist weet ook dat het bij lange na niet voldoende zal zijn.

Let wel, Plasterk trekt een groot aantal zinnige conclusies en doet enkele aanbevelingen waar weinig tegen in te brengen valt. Zo stelt hij vast dat de overheid weliswaar op afstand moet blijven, maar kan helpen via wet- en regelgeving die ondernemerschap bevordert, door het stimuleren van zelfregulering en met tijdelijke financiële steun. Ook bevestigt hij het belang van samenwerking, bijvoorbeeld tussen omroep en pers. Helaas staan daar staan ook een paar minder verstandige aanbevelingen tegenover. Het voornemen om de tijdelijke wet mediaconcentraties toch te verlengen is er daar eentje van. De wet is van een andere tijd, houdt geen rekening met het digitale speelveld en is daarom een onding geworden.

Bovendien laat Plasterk hier en daar het mes echt in het varken steken, door helemaal geen besluit te nemen of een besluit zo in te kleden dat het nauwelijks uit te voeren is. Denk daarbij vooral aan het zogenaamd vrijgeven van de omroepgegevens “tegen een redelijke vergoeding”. Daar schiet je dus geen meter mee op. Of aan het dossier van de gezamenlijke distributie van kranten. Geen enkele druk op de uitgevers om daar nu eindelijk eens uit te komen.

Ook staan er een paar inconsequenties in de nota van Plasterk. Zo schrijft hij dat het eventueel omvallen van ANP en GPD “diepe gaten in de journalistieke infrastructuur” zou slaan, maar honoreert tegelijkertijd een nieuw cultureel persbureau met een startsubsidie, omdat het dagbladen in staat stelt op maat in te kopen “in plaats van veel te betalen voor een breed pakket aan diensten waarvan de helft misschien overbodig is.” Dat is zuigen en blazen tegelijk; het lijkt me echt een misser.

In dezelfde categorie, maar tegelijk ronduit hilarisch en verder zonder al te veel consequenties, is de opmerking die een in omzet relatief kleine Nederlandse nieuwssite gelijk stelt aan het allergrootste mediabedrijf ter wereld. “Op internet zijn er grootverdieners als nu.nl en Google”, lezen we. Tsja, je zou bijna gaan denken dat het ministerie onvoldoende zicht heeft op wat zich momenteel in de wereld van de digitale media afspeelt.

En met die constatering kom ik vanzelf op de wat mij betreft ernstigste omissie in Plasterks verhaal: de grove onderschatting van de krachten die nu buiten de gevestigde, op dagbladen georiënteerde mediaconcerns ontstaan. En daarmee van de mate waarin digitale zolderkamer-initiatieven de journalistiek zelf op een hoger plan kunnen tillen. Letterlijk zegt Plasterk dat hij met zijn beleidsreactie “de printmedia wil helpen orde op zaken te stellen.” Dat is, zelfs als je vaststelt hoe belangrijk de dagbladen de afgelopen decennia waren én beseft dat ze nu echt een probleem hebben waar de maatschappij last van heeft, een onverstandige inperking van het speelveld. Sterker nog, hiermee zou hij uiteindelijk de journalistiek – waar het toch allemaal om begonnen was – ongewild extra schade kunnen berokkenen. Als de journalistiek immers érgens behoefte aan heeft, is het een koppeling van oude kwaliteiten aan nieuwe mogelijkheden. Hoe sterker de online journalistiek wordt, des te kansrijker dat traject. Het had de minister gesierd als hij wat meer aandacht had gegeven aan wat zich de afgelopen tien jaar in de wereld van de digitale journalistiek heeft afgespeeld en voor de kansen die daar nog liggen.

Zo is het is doodzonde dat hij de regeling voor jonge journalisten tegen het advies van de commissie Brinkman in nadrukkelijk beperkt tot de kranten en opiniebladen. Hier lag een kans voor open doel om verandering aan te brengen in Plasterks eigen constatering dat internetmedia nog wel wat extra journalistieke kracht kunnen gebruiken. Hij laat hem onbenut en dat is moeilijk te begrijpen.

Tot slot de innovaties. Ja, er is 8 miljoen beschikbaar en ja, daar gaan vast een paar heel mooie vernieuwingen uit voortkomen. Dat is goed voor de bedenkers ervan en uitstekend voor de nieuwssector. Maar het is minder dan een druppel op een gloeiende plaat. Onder aan de streep blijft het dan ook vooral aankomen op gezond ondernemerschap uit de sector zelf. Wie vooruit wil, wie brood blijft zien in een onafhankelijke journalistieke informatievoorziening, is vooral op zichzelf aangewezen om daar een verdienmodel aan te hangen. Wat dat betreft is enige nuchterheid op zijn plaats. De oude en de nieuwe wereld staan, ondanks de inspanningen van de commissie Brinkman en Plasterks getoonde voorkeuren, nog steeds op exact dezelfde positie: klaar voor de start.

(deze blogpost is ook verschenen op Villamedia)