Requiem voor een Meneer

hpdetijdlogo

(dit artikel verscheen eerder in HP/De Tijd van 22 april 2010)

Een mens kan zich weken lang het hoofd breken over de vraag welke redenen er voor een krantenlezer zouden kunnen zijn om de krant te blijven lezen die nu zes dagen per week op zijn deurmat valt. Uiteindelijk valt er, met de beste wil van de wereld, maar één te bedenken: gewoonte. Omdat we er aan gewend zijn, omdat het past binnen ons ochtend- of avondritueel, omdat we ‘m aangereikt krijgen als we in de trein stappen, omdat we er nu eenmaal voor betaald hebben.

Daarom pakken we de krant.

Maar we lezen die krant toch voor het nieuws? Jazeker. Alleen zijn daar betere manieren voor.

En voor de achtergronden, de analyses? Ja hoor, maar ook daarvoor hebben we alternatieven.

Lezen we hem dan niet om vermaakt te worden? Ja, ook. Maar u begrijpt het al: dat kan makkelijker.

Maar de krant is toch hartstikke nuttig? Nou nee, nuttig is de krant niet. Althans niet op individueel niveau.

De krant als informatiedrager is traag, log, inflexibel, niet op mij als lezer afgestemd. Eeuwenlang is dat geen ramp geweest, omdat het ons niet opviel. Er waren namelijk geen alternatieven, de krant was het beste dat er was.
De krant als papieren platform voor nieuws, duiding, opinies en vermaak heeft een eeuwenlange traditie. Zo iets poets je niet zomaar weg. Bovendien is de krant al eerder dood verklaard. Bij de opkomst van radio en tv bijvoorbeeld.

Traditionele uitgevers en krantenredacties stellen zichzelf dan ook geregeld de (in hun ogen) retorische vraag waarom het nu dan anders zou gaan. Wie de tv overleeft, zal ook het internet wel overleven, is de stellige overtuiging. Een voor buitenstaanders niet voorstelbare liefde voor hun vak en de producten die daaruit voortkomen, verblindt hun zicht op de werkelijkheid. En geeft redacties de kans om in eigen huis onweersproken te concluderen dat geen enkel ander medium de betrouwbaarheid, geloofwaardigheid en authenticiteit van de krant kan vervangen. En áls dat al het geval zou kunnen zijn, dan hebben we dat vast als eerste in de gaten. Immers, welke andere partij kent ons speelveld nou beter dan wijzelf? Nou dan?

Alles wijst er op dat we op een Gutenberg-achtig kruispunt staan. De scepsis die er in de vijftiende eeuw bestond tegen de “zwarte kunst” van het boekdrukken, is vergelijkbaar met de drempels die krantenliefhebbers momenteel rondom het internet optrekken. Oké, zo’n drukpers mag dan sneller zijn, technisch vernuftiger ook, maar wie zit daar nou helemaal op te wachten? Er is toch niets dat de betrouwbaarheid van een authentiek, handgeschreven boek kan vervangen? Vervang drukpers door internet en handgeschreven boek door krant, en je springt vanzelf van 1455 naar 2010.

De weerstand tegen de drukpers was groot, maar uiteindelijk niet houdbaar. Rond 1470 was het marktaandeel van het gedrukte boek al groter dan dat van het geschreven boek. En na 1500 waren de bordjes echt verhangen: de drukpers had de productie definitief overgenomen en handgeschreven werken werden curiosa.

De meeste voorbeelden van de huidige dode bomenindustrie zijn nog niet in “1470”: hun marktaandeel in print overstijgt nog altijd het bereik online. Maar het publiek beweegt, het omslagpunt is in zicht en er zullen dit keer geen 30 extra jaren nodig zijn voordat het primaat helemaal online ligt.

De les van Gutenberg is vijf eeuwen later vervat in de theorie van de creatieve vernietiging van Joseph Schumpeter. Kort door de bocht: het heeft geen zin oude technieken en bedrijven kunstmatig in leven te houden, want ze worden op natuurlijke wijze vernietigd door voortdurende innovaties.

Er is het afgelopen jaar – en zeker niet alleen in Nederland – volop gespeculeerd over de subsidies die nodig zouden zijn om de oude wereld van de kranten in leven te houden. Een heilloze weg, althans waar die subsidies gericht zijn op het beschermen van structuren die onderdeel zijn van die oude wereld: papierproductie, drukpersen, distributie van pakken kranten. Wie Schumpeter leest, weet dat de innovatieve krachten uiteindelijk toch te sterk zijn voor de oude werkelijkheid. Anders gezegd, overheidssteun verdoezelt misschien wel het probleem, zorgt op zijn best voor enig uitstel van de executie, maar biedt geen oplossing. De kracht van nieuwe technieken is altijd sterker dan die van de oude – hoeveel geld je er ook tegenaan gooit om dat te willen tegenhouden.

Het maatschappelijke belang van een goed functionerend journalistiek proces is groot genoeg om er zorgvuldig mee om te gaan. Als belangrijke dragers van journalistieke informatie (de kranten dus) het steeds moeilijker krijgen, dan is het slim van een maatschappij, en van de politiek die haar vertegenwoordigt, goed naar de gevolgen te kijken. Dat is het afgelopen jaar dan ook volop gebeurd, met een veelheid van oplossingsrichtingen als gevolg. De meest in het oog springende ideeën die in dat verband voorbij zijn gekomen:

  • Het in leven houden van kranten via grootschalige overheidssteun
  • Het subsidiëren van processen rondom het drukken en verspreiden van dagbladen
  • Het subsidiëren van journalisten ten behoeve van de kranten
  • Het starten van nieuwe, publiek gefinancierde kranten
  • Het opheffen, inkrimpen of van reclame ontdoen van de publieke omroep
  • Het belonen van kansrijke nieuwe media-initiatieven met een startsubsidie
  • Het vereenvoudigen van wet- en regelgeving (bijvoorbeeld rond overnames)

De eerste vier opties vallen in de categorie “doekjes voor het bloeden”. Ze zouden op korte termijn weliswaar bestaande kranten ogenschijnlijk kunnen helpen, maar zijn op langere termijn funest. Ze verhullen namelijk het probleem en geven diezelfde kranten een excuus om niet te veranderen.

Het inkrimpen van de publieke omroep zou verstandig zijn, maar lost het probleem evenmin op. De laatste twee opties zijn het nuttigst, vooral omdat ze ondernemerschap stimuleren. Maar ook deze maatregelen vormen geen garantie dat een journalistiek platform als een krant betaalbaar, laat staan winstgevend, blijft. Nee, dat zal als altijd voornamelijk aankomen op de inventiviteit en ondernemingszin van de uitbaters zelf. Anders gezegd: als er één partij is die in staat is de krant om zeep te helpen, dan is het de krant zelf wel.

Met steunmaatregelen in welke vorm moet uiterst terughoudend worden omgegaan. Dit om te voorkomen dat inderdaad gebeurt waarvoor Schumpeter waarschuwt: het kunstmatig in leven houden van bedrijven die binnen niet al te lange tijd door de nieuwe ontwikkelingen achterhaald zullen zijn.

Dat alles wil niet nog zeggen dat het oude direct actief om zeep geholpen moet worden. Voor euthanasie op de krant is nog geen reden, het is alleen zo dat we de beademingsapparatuur buiten bereik moeten houden. Zodat het aan de uitgeefconcerns zelf kan worden overgelaten om de keuze te maken: doorgaan op oude voet, plaats maken voor vernieuwing, of een combinatie van beide.

Heel makkelijk is die keuze overigens nog niet. Iedereen weet dat de waarde van de oude activiteiten afneemt, maar ook dat ze nog steeds zo veel geld opleveren dat het ondenkbaar is om er op korte termijn mee te stoppen. Dat laatste is meteen de grootste rem op innovatie, zeker in economisch slechte tijden. Welke raad van bestuur heeft de ruimte (en het lef) om een business met een omzet van honderden miljoenen in te ruilen voor nieuwe modellen waarvan nog niet eens vast staat of er uiteindelijk tonnen mee verdiend gaan worden? Die kwestie is in normale tijden al lastig, maar des te complexer in een situatie waarbij uitgevers zich toch al gedwongen voelen fors in de kosten te snijden om de aandeelhouders rustig te houden. Nóg meer personeel wegsnijden om iets onzekers op te zetten, is dan een hachelijke missie. En dan hebben we het nog niet eens over de interne weerstanden, die zoals we weten extreem goed gedijen in complexe, bureaucratische organisaties.

Het ligt dus voor de hand dat ook in de journalistiek de nieuwkomers voor de innovaties gaan zorgen. Zij hebben namelijk wat voordelen boven de klassieke uitgeversbedrijven. Om er een paar te noemen:

  • wie met niets begint, is niet bang voor onzekere winstcijfers,
  • nieuwkomers worden überhaupt niet gedreven door geld, maar eerder door een idee,
  • ze hebben geen last van in grote concerns verplichte investeringsroutes die nogal eens stranden in bureaucratische eisen en onhaalbare businessmodellen.
  • onafhankelijke geesten (vaak jonge mensen) zijn minder beïnvloed door traditie en beter in staat zich nieuwe ontwikkelingen eigen te maken.

Daar staan twee evidente voordelen voor de bestaande ondernemingen tegenover:

  • ruimere investeringsbudgetten
  • veel bruikbare kennis aanwezig.

Technische innovaties hebben het speelveld overhoop gehaald. En om het nog een beetje ernstiger te maken: niet alleen de techniek zit de kranten dwars. Maatschappelijke ontwikkelingen zijn minstens zo serieus. De individualisering, de mondiger wordende consument, het op drift geraakte electoraat, het veranderende mediagedrag van het jongere deel van het publiek, het zorgt er allemaal voor dat kranten het zicht op hun achterban zijn verloren. De identiteitscrisis die daarvan weer het gevolg was, is onderdeel van het probleem geworden. Geen enkel bedrijf kan focus houden als de aandacht uit wanhoop zowel gericht moet worden op oude als op nieuwe doelgroepen. Logisch ook: in een tijd dat jonge aanwas niet meer automatisch binnenstroomt, moet een krant veranderen om nieuw publiek aan te spreken, maar vooral alles bij het oude houden om de bekende klanten ten dienste te zijn. Dat kan nooit goed aflopen.

De krant is een meneer, klonk het eeuwenlang plechtstatig. Een heer die met ontzag bejegend moest worden en die dat respect ook verdiende. De kranten zelf zijn er door de jaren heen arrogant door geworden, in dat gevoel extra gevoed door de enorme bedrijfsmatige successen die werden geboekt. Wie elk jaar meer lezers en adverteerders krijgt, voelt zich vanzelf onkwetsbaar. Nu is de meneer aan het einde van zijn Latijn: zijn gezag is hij kwijt, zijn inkomsten denderen achteruit en inhoudelijk wordt hij aan alle kanten ingehaald door nieuwelingen die in veel gevallen ook nog eens bewust genoegen nemen met een geringere kwaliteit. En hij snapt er helemaal niks van.

Zijn de traditionele uitgevers nog in staat zijn om de slag naar de nieuwe tijden te maken, of zal dat vooral de taak worden van de nieuwe spelers? Voor die mediaconcerns is dat natuurlijk een kwestie van leven of dood. Maar voor de maatschappij is het antwoord eerlijk gezegd niet zo interessant. Op de schaal van de informatievoorziening voor het grote publiek is er namelijk geen reden tot grote zorg. Integendeel.

Dat optimisme wordt geïllustreerd in het bordje dat op de internetredactie van de Washington Post schijnt te hangen. ‘Not Wrong For Long’, staat er op. De makers willen ermee aangeven dat áls er een fout in de berichtgeving staat, deze heel snel te herstellen is. Het grote voordeel van online journalistiek: wie accepteert dat verhalen nooit af zijn, maar altijd verbeterd kunnen worden dankzij de kennis van het druk meedenkende publiek, bereikt meer dan ooit voor mogelijk werd gehouden.

De hele twintigste eeuw – de periode van de massacommunicatie – kenden we een simpele tweedeling. Aan de ene kant de professional in zijn burcht die van alle markten thuis moest zijn en één keer per 24 uur het bewijs leverde van zijn oneindige wijsheid; aan de andere kant de consument die dit alles zo’n zes keer per week in grote dankbaarheid mocht ervaren.

Nu is er geen reden meer voor zo’n opsplitsing. Dankzij technologische en maatschappelijke ontwikkelingen is letterlijk iedereen uitgever geworden en kan er dus een vruchtbare symbiose ontstaan tussen de werelden die voorheen zo gescheiden waren. Als de vaardigheden van de journalist gecombineerd worden met de kennis van het (voormalige) publiek leidt dat onherroepelijk tot een betere informatievoorziening.

Dankzij het internet kan kennis beter gedeeld worden en als journalisten begrijpen dat hun rol daarbij verschuift van die van zender naar die van organisator, kunnen we nog veel moois verwachten. Misschien zelfs wel gedeeltelijk op het zo vertrouwde papier, zij het dat dat dan afkomstig is van een handige thuisprinter of een minidrukkerijtje in de buurt.

Maar wie de kansen niet ziet, blijft hangen in een wereld die gedoemd is verder af te brokkelen. Om vervolgens samen met het vergrijzende lezerspubliek een langzame dood te sterven.