Over het nut van subsidies

Columnist Luuk Koelman had gisteren een helder en scherp betoog over de in zijn ogen nutteloze subsidies van het stimuleringsfonds voor de pers. Omdat wijzelf recentelijk een vorstelijk bedrag toegewezen kregen van dit fonds, leek het mij zinvol er nog een paar woorden aan te wijden.

Dit soort subsidies is bedoeld om innovaties te stimuleren, niet alleen bij de aanvrager zelf maar op zo’n manier dat de hele sector daar wat aan heeft. Alleen kijken naar de geslaagde initiatieven en op basis daarvan oordelen of de subsidie zinvol is geweest, levert dan ook slechts een half beeld op.

Het mislukken van een gesubsidieerd initiatief kan wel degelijk van belang zijn voor de sector als geheel. Mits de gesubsidieerde goed kan (en wil) aangeven wat er precies gebeurd is en waar het exact is misgegaan. Daartoe moet altijd 100% transparantie bestaan, vanaf het moment van subsidieaanvraag tot en met de laatste zucht van het experiment. Vanzelfsprekend geldt dat ook voor geslaagde of deels mislukte initiatieven. Hoe opener de projectleiders, des te meer de sector er wat aan kan hebben.

Ik kan me, los van dat alles, heel goed voorstellen dat Luuk Koelman op basis van een overzichtje in Villamedia Magazine concludeert dat de gehonoreerde subsidie-aanvragers hun geld wel erg makkelijk krijgen. En evenzeer dat dit leidt tot een aantal comments bij Webwereld die dat beeld verder versterken.

Zonder een oordeel over de rest te willen vellen, kan ik – voor mezelf sprekend – iedereen toezeggen dat niet alleen die openheid er van a tot z zal zijn, maar tevens dat het project zelf ook op alle mogelijke manieren innoverend zal zijn. Niet zozeer omdat elk onderdeel volledig nieuw wordt, maar wel vanwege de onderlinge koppelingen en de ambitieuze omvang van het verhaal. Bovendien is het op zich al een spannende exercitie om dit alles vanuit de context van een klassiek mediaconcern te doen. Het antwoord op de vraag of dit soort vernieuwing überhaupt mogelijk is op een plek waar alle aandacht op “oude verdienmodellen” gericht is, is belangrijk voor de concerns. En dus voor de informatiesector als geheel.

Of we gaan slagen weet ik niet. Maar wat ik wel weet is dat iedereen op de voet kan gaan volgen wat we doen. We geven gevraagd en ongevraagd uitleg over onze technische, inhoudelijke en marktgeoriënteerde stappen. Wie daar aanvullingen of kritiek op wil geven, krijgt een luisterend oor en zal zijn opmerkingen waar mogelijk in de praktijk gaan terugzien. De pilots die we vanaf juli gaan draaien (in Haarlem, Woerden, Eindhoven en Zwolle) worden zo transparant als maar kan. En ja, als we gaandeweg een marktbenadering vinden die aanslaat (zowel voor de consument als voor het broodnodige nieuwe geld dat we hopen te vinden), houden we die niet voor onszelf.

De kritiek op subsidies in het algemeen en die van het stimuleringsfonds kan ik me voorstellen. Ook besef ik dat wij als onderdeel van een groot concern de schijn tegen hebben met het aanvragen en toegewezen krijgen van een forse subsidie. Toch ben ik er om twee redenen heel blij mee. Allereerst natuurlijk vanwege het geld dat ons daadwerkelijk een belangrijke zet in de rug geeft. Maar daarnaast ook vanwege de erkenning die eruit spreekt – iets dat me zowel extern als intern behoorlijk helpt.

Tot slot: ik nodig iedereen van harte uit ons kritisch te blijven volgen, ons te blijven waarschuwen voor valkuilen en vooral ook mee te profiteren van hetgeen wij gaandeweg tegenkomen.