Journalistieke transparantie via Davids Disclaimer en Femkes Lijst

Journalistiek boegbeeld David Randall schreef in 2007 dat alle kranten deze disclaimer zouden moeten hebben:

“Deze krant en de honderdduizenden woorden die er in staan, is gemaakt in ongeveer 15 uur door een groep feilbare mensen, in krappe kantoren, die proberen uit te vinden wat er in de wereld gebeurt volgens anderen, die soms geen zin hebben om dat te zeggen en soms zelfs tegenwerken.

De inhoud van de krant is het gevolg van een reeks subjectieve oordelen van verslaggevers en uitvoerders, gevoed door de vooroordelen van de chefs, eigenaren en lezers.

Sommige verhalen verschijnen zonder de nodige context omdat zij hiermee minder dramatisch en coherent zouden zijn, en bepaalde woorden zijn bewust gekozen eerder vanwege de emotionele lading dan vanwege nauwkeurigheid.

Sommige artikelen zijn alleen gepubliceerd om bepaalde adverteerders aan te trekken”.

Randall opperde het drie jaar geleden en de inhoud staat nog steeds als een huis. En toch zul je deze prachtige disclaimer helaas niet zo snel ergens in een krant terug zien. Trouwens, ook elders niet denk ik – want voor de goede orde: niet alleen krantenredacties zouden zich Randalls kritiek moeten aantrekken.

Ik moet eerlijk bekennen dat ik de uitdagende disclaimer pas sinds gisteren ken. Ik kreeg ‘m voorgeschoteld tijdens een interview over transparantie in de journalistiek. Wat ik er van vond, wilde de interviewer weten. Dat was niet moeilijk: right on target en tegelijk totaal onbruikbaar in een medialandschap waar geen enkele aanleiding gegeven mag worden om het publiek nog iets verder in verwarring te brengen dan het misschien al is. Of, zoals Al Gore het noemt: an inconvenient truth.

Ik moest direct denken aan de speech die Femke Halsema vorige week hield ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Raad voor de Journalistiek. Zij hamerde daarbij op een paar journalistieke gebruiken die misschien helemaal niet zo logisch – laat staan wenselijk – zijn. En die met relatief gemak op te lossen zouden zijn. Haar meest opvallende adviezen aan de sector:

  1. sta niet per principieel afwijzend tegenover aanvullende overheidssubsidies,
  2. durf kritisch naar jezelf te kijken,
  3. laat het dédain richting bloggers varen en maak meer gebruik van de wijsheid van de menigtes,
  4. maak de grenzen tussen harde journalistieke informatie en puur entertainment helderder,
  5. besef dat de toenemende drang naar personalisering van het nieuws een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het “slachtoffer” kan hebben,
  6. denk na over rechtvaardigere rectificatiemogelijkheden dan op dit moment gebruikt worden (zoals een recht op weerwoord),
  7. publiceer naast het journalistiek geredigeerde interview óók de ruwe versie ervan, zodat voor iedereen duidelijk wordt in welke context bepaalde antwoorden gegeven zijn.

Het is een hele lijst, met algemene, puur-praktische en specifiek-inhoudelijke suggesties door elkaar heen. Maar ze sluiten allemaal aan op hetgeen David Randall in 2007 constateerde: de journalistiek zou enorm aan geloofwaardigheid kunnen winnen als ze hier en daar wat transparanter zou worden.

Daar zal niemand het in de journalistiek mee oneens zijn. Maar het vervolg is weerbarstiger, zo blijkt alleen al uit het bestaan van Davids Disclaimer en Femkes Lijst. Of uit de moeite die het de Raad voor de Journalistiek kost om aan geloofwaardigheid te winnen binnen de beroepsgroep. Voor echte transparantie is een kritische blik op zichzelf de eerste vereiste. En dat is, zo constateert ook Halsema, geen vanzelfsprekendheid. “Zelfreflectie, kritisch onderling commentaar, behoren – is mijn voorzichtige constatering – niet tot de grootste liefhebberij van veel journalisten.”

Een waarheid als een koe. Laten we echter vooral niet in mineur eindigen. Er waren vorige week nogal wat aanwezige journalisten die, als reactie op Halsema’s kritiek, aangaven “er op een of andere manier werk van te gaan maken”. Bijvoorbeeld omdat ze transparantie inderdaad minstens zo belangrijk vinden als pakweg het principe van hoor en wederhoor. Ik sluit me daar bij aan.

Maar de proof of the pudding is in the eating. Misschien kunnen we dan ook nu alvast afspreken over exact een half jaar eens te kijken wat er van die vele goede voornemens en evidente verbetermogelijkheden terecht is gekomen. Op 9 mei meld ik mij weer over dit onderwerp.

UPDATE: laatste twee alinea’s licht aangepast op basis van reactie GJ Bogaerts (10/11/2010)