James O'Shea: van hoofdredacteur tot coöp-journalist

OSheaCarrière gemaakt bij de Chicago Tribune, ontslagen bij de LA Times, te weinig tijd om op Harvard een echt onderzoek van de grond te krijgen, een boek in de steigers  en nu dankzij enkele grote investeerders en geld van goede doelen het eerste jaar overleefd van een nieuw journalistiek avontuur in Chicago: James O’Shea lacht zich rot om zijn carrièrepad. Maar waar hij nog veel meer om lacht: “Die lui bij de Sun Times of de Tribune schijten in hun broek voor mij. We komen hier lekker de boel een beetje opschudden.”

En met “wij” bedoelt O’Shea zijn team van twee handen vol mensen die in een coöperatief, voor de belastingdienst vooralsnog als als non-profit organisatie, de journalistiek in Chicago een lesje willen leren. Want ambitie is de Chicago News Cooperative niet vreemd. Maar realisme is er ook. “We hebben het eerste jaar overleefd, dankzij onze investeerders. Dat is mooi. Maar we hebben nog niet laten zien dat we echt houdbaar zijn op langere termijn.”

Twee ontwikkelingen hebben de CNC een jaar geleden in het zadel geholpen. Het lokale tv-station WTTW wilde wel content kopen van de coöp (er zouden later meer partijen volgen) én de New York Times had lucht gekregen van de plannen van Rupert Murdoch om in Chicago iets te beginnen; daar wilden ze vóór zijn. O’Shea: “Dat leverde ons, samen met het filantropische geld dat we kregen – genoeg op om te beginnen.”

Een goed jaar geleden, op 20 november 2009, startte O’Shea met een paar medewerkers de coöperatie. En het eerste verhaal was meteen raak. Een schandaal rond de opbrengsten van de geprivatiseerde parkeermeters leverde zoveel gedoe op dat de uitbater al vóór de eerste letters gepubliceerd waren, met een rechtzaak dreigde. Het lastige was dat deze club uitgerekend verdedigd werd door een advocaat van het kantoor waar O’Shea veel hulp van had gehad, ook materieel. Hij zou dus meteen op zoek moeten naar een (ongetwijfeld dure) andere advocaat, nog los van de vraag of de New York Times hier wel blij van zou worden. Uiteindelijk is het verhaal doorgezet en is er nooit een advocaat aan de deur geweest.

Daarmee was de toon gezet en de oorlog geopend. O’Shea kocht de city hall-verslaggever voor veel geld weg bij de Tribune en begon een concurrentie op journalistiek. Twee keer per week vult de coöperatie enkele pagina’s voor de Northwest-editie van de New York Times. Met name op het terrein van de lokale politiek is er een grote concurrentie gaande. O’Shea gniffelt: “Die oude jongens zijn werkelijk paranoide, heerlijk. Ze houden elke stap van ons in de gaten. En we zitten hier met een man of 15 tegenover hun honderden verslaggevers. Het allermooiste is: we killen ze elke dag, zeker op politiek.”

Een groot plan heeft O’Shea niet. “We verzinnen volgende stappen onderweg wel. Maar dat is te makkelijk. Achter de schermen voert hij gesprekken met de ene geldschieter na de andere. Wat daarbij enorm helpt is zijn reputatie. Het is ondenkbaar dat iemand zonder dat voordeel ooit zo ver was gekomen. En gaandeweg bedenkt O’Shea ook de bijbehorende verdienmodellen, die – zo eerlijk is hij ook wel – op dit moment geen van allen echt doorslaggevend zijn. Hij ziet vijf richtingen:

  • De verkoop van content, zoals aan de New York Times en WTTW
  • Advertenties op de eigen website
  • Lokale politieke (of andere) informatie die onder de naam Early & Often tegen eentarief van $175 voor een half jaar wordt aangeboden
  • Een lidmaatschap met toegang tot enkele themakanalen (zoals onderwijs of gezondheid)
  • Sponsoring

Ondertussen kijkt O’Shea met gemengde gevoelens naar de concurrentie. De Sun Times was bankroet maar is recentelijk gered, de Tribune is juist weer in een bankroetproces verzeild geraakt. “Het is diep triest om te zien hoe snel die kranten zijn afgegleden naar het huidige niveau. Honderden journalisten zijn verdwenen. Mijn verwachting is dat de Trib het voorlopig wel zal redden, op een of andere manier de Sun Times zal overnemen en uit de markt halen en op die manier nog wat tijd winnen. Maar uiteindelijk sneuvelen ze allemaal als krant. Online gaan ze achter een betaalmuur en op dat moment ben ik natuurlijk midden in de ballgame.”

Wat O’Shea ook gemengde gevoelens geeft is de opkomst van user generated content. “Ja, het is mooi dat het kan. Prachtig dat je geen miljoenen meer nodig hebt om een pers te kopen en uitgever te worden. Iedereen kan het. Maar dat betekent nog niet dat iedereen het ook echt kán. Ik ga mij in elk geval niet overgeven aan user generated content. We willen wel aansluiten bij ons publiek, maar professionele journalisten zijn onmisbaar. Niet-professionals kunnen niet schrijven, en als ze het al zouden kunnen doen ze het verkeerd, terwijl ze niet eens begrijpen waarom het verkeerd is. Stel je voor dat je dat allemaal moet gaan verwerken. Ik vind het al lastig om de kopij van echte journalisten te redigeren, laat staan dit.”

O’Shea moet weg, lunch met mogelijk een volgende geldschieter. Hij geeft toe in een totaal nieuwe wereld te zijn beland. Lachend om zichzelf: “Kom vooral nog eens terug. Kun je meteen checken of we er nog zijn.”