Op zoek naar een antwoord op de informatiechaos

Dit stuk werd in november 2010 geschreven voor het blad MM Nieuws.

Er is de laatste 20 jaar nauwelijks een ontwikkeling geweest met een grotere maatschappelijke impact dan de uitrol van het internet. Geen sector die zich er afzijdig van kan houden, geen bedrijf of instelling die hierdoor niet opnieuw moet gaan nadenken over zijn raison d’être. Meest in het oog springende inhoudelijke verschuiving daarbij: het monopolie op kennis ligt niet langer bij de professionals, maar is gedemocratiseerd. Iedere burger die dat wil, kan zonder problemen informatie vinden – en verder uitdragen.

De culturele sector merkt daar ook op alle manieren de gevolgen van. In positieve zin: het was nooit makkelijker culturele uitingen onder een breed publiek te verspreiden: youtube bijvoorbeeld is voor de geoefende zoeker een ongekende bron van culturele hoogstandjes. Daarnaast is het ook een peulenschil om gelijkgestemden te vinden rond welke kunstniche dan ook: twitter en – vooral – facebook en linkedin kennen groepen rond elke denkbare deelmarkt. Zelfs erfgoed 2.0 heeft er een vaste stek gevonden.

mmnieuwsDat dat niet alleen positieve gevolgen heeft, moge duidelijk zijn. Het gemak waarmee originele uitingen gratis doorgekopieerd kunnen worden kan met even veel gemak als een goede en als een slechte trend worden bezien. Dat het immense gevolgen heeft, niet in de laatste plaats voor de verdienmodellen, is evident.

Nog groter wordt de “disruption” als we wat breder kijken dan alleen de cultuursector. Het is alsof we leven in het tijdperk van informatiechaos; een tijd waarin feiten, meningen en totale onzin met elkaar concurreren om het hoogste woord en waar boegbeelden van betrouwbaarheid in een klap van hun sokkel worden geduwd.

Neem de medische wereld. Het merendeel van de patiënten komt tegenwoordig bewapend met via Google verkregen informatie over de aard én de oplossing van hun probleem op het spreekuur van hun arts. Het zet 17 jaar aan basisopleidingen en specialisaties in één klap in een heel ander daglicht. De vergaarde kennis en de daarbij horende vaardigheden zijn niet waardeloos geworden, maar de houder van het diploma zal linksom of rechtsom iets moeten met die mondigere patiënt. Beroepsbescherming houdt de grootste storm nog even buiten de deur (inderdaad, een patiënt kan nog niet zelf zijn recepten schrijven), maar hoe dan ook ontstaat er door het verlies van het kennismonopolie een heel nieuwe dynamiek. De patiënt die ondanks zijn gegoogle toch die gewenste pil niet krijgt van zijn specialist, zal naar een volgende gaan, en weer een volgende. Net zolang tot hij zijn gelijk vindt.

Ook in de journalistiek is het fenomeen al een aantal jaren herkenbaar. En vergelijkbaar met de medische wereld, zeer tot ongenoegen van de meeste professionals. Critici van het fenomeen “burgerjournalistiek” willen er nog wel eens op wijzen dat de journalistiek nu eenmaal niet voor iedereen is weggelegd. En dat amateurs om die reden niets te zoeken hebben in “onze” edele professie. “Je laat jezelf toch ook niet opereren door een burgerarts”, klinkt het dan. Nee, ik zal inderdaad mijn metselende buurman niet gauw vragen om mijn aorta van een bypass te voorzien. Maar dat wil niet zeggen dat die buurman – die toevallig veel leest en enorm geïnteresseerd is in het menselijk lichaam – niet van waarde kan zijn in mijn eigen medische afwegingsproces. Hij kan mij tips geven, op het spoor zetten van een behandeling, of gewoon voorbeelden aandragen van lotgenoten. Ik hoef daarvoor niet naar een specialist.

Die geïnteresseerde buurman bevindt zich tegenwoordig in honderdvoud in ieders virtuele sociale netwerk. En als dat nog te lastig is, kan ook ver daarbuiten gehengeld worden, zo laat de googlende patiënt zijn huisarts elke keer weer zien. Als het vergaren van zulke specialistische en gevoelige kennis al geen problemen meer oplevert – en daarmee het artsenberoep dramatisch verandert – wat moet dat dan wel niet betekenen voor de positie van de professionele journalist? Die kan immers niet bogen op 17 jaar verplichte opleiding (in feite heeft hij geen enkele verplichte opleiding), een beschermd beroep (de vrijheid van meningsuiting is belangrijker dan het afschermen van de sector), of op specialisaties die een gemiddelde burger de pet te boven gaan.

Nee, het vergaren en verspreiden van algemene actuele informatie is vergeleken daarbij een peulenschil. Daarmee is een twitteraar nog geen journalist, is een verenigingsblogger nog geen muckraker en wordt iemand met een camera op zijn telefoon nog niet direct een concurrent voor het NOS-journaal. Burgerjournalisten: het zijn geen professionals en zullen het ook vrijwel nooit worden. Ze willen niet eens journalist zijn of zo genoemd worden. Maar ze hebben wél kennis waarvan tot voor kort ten onrechte werd gedacht dat deze exclusief in handen van professionele journalisten lag. En gaan daarmee aan de slag, geheel in lijn met het grondrecht van vrijheid van informatievergaring en meningsuiting. Het sprookje van de kennismonopolisten heeft, net als in de medische wereld (en bij talloze andere sectoren), geen stand gehouden in de internetmaatschappij.

En dus is het nu aan medici, aan notarissen, aan beursspecialisten én aan journalisten, om als de wiedeweerga een model te bedenken dat uitgaat van een vruchtbare symbiose tussen de onmiskenbare vaardigheden van de professional en het ongeëvenaarde kennisniveau van de individuele betrokken amateur. In hun eentje kunnen die burgermedici het niet, net zo min als burgerjournalistiek een alternatief is voor de professionele redacties. Maar andersom geldt dat evenzeer.

Die symbiose is een van de doelen bij de bouw van het hyperlokale online nieuws- en informatienetwerk dat de Telegraaf Media Groep momenteel over Nederland uitrolt. Naast – vanzelfsprekend – op termijn een structurele bijdrage aan de omzet van TMG, want eerlijk is eerlijk: de bedoelingen kunnen nog zo verantwoord zijn, als het geen geld oplevert, zal het geen stand houden.

Om dat doel ooit te bereiken zijn we in augustus begonnen met drie pilots.
OverZwolle en OverHeino vormen samen de zogenoemde aggregatie-pilot. Belangrijkste doel hiervan is te ontdekken of en (zo ja) hoe we bereik kunnen genereren met een platform dat vrijwel uitsluitend wordt opgebouwd met materiaal van derden (andere uitgevers, particuliere publicisten, professionals en amateurs). Eigen redactionele bijdragen zijn hier zeer spaarzaam, evenals ingrepen op de automatisch geselecteerde artikelen en de comments.
OverWoerden is de community-pilot. Doel daarvan is te bekijken welke stappen we moeten zetten om een community van gebruikers te creëren die actief en betrokken is bij het platform. Deze site heeft dan ook een groot aantal andere functionaliteiten dan de pilot in Zwolle/Heino. Deze hebben allemaal te maken met community-building. Jaap den Ouden is de trekker van deze pilot. Hij werkt vanuit het centraal gelegen café Victoria in Woerden.
OverEindhoven tenslotte is de commerciële pilot. Hier wordt vooral getest welke content het meest gevoelig is voor commercieel succes. Natuurlijk blijft het daarbij van belang om de geloofwaardigheid naar het publiek in de gaten te houden, maar we zoeken in dat verband wel de grenzen op. De vier medewerkers in Eindhoven hebben dan ook een nadrukkelijk “ondernemende” inslag. Los daarvan zijn ze natuurlijk door-en-door bekend met de lokale context, een vaste voorwaarde voor een plek in een van onze lokale teams.

Momenteel maken we de balans op van de pilots, om vanaf januari een tweede stap te kunnen zetten: het structureel verder uitrollen van het lokale netwerk. Daarvoor werken we aan een formule die het beste van de pilots in zich bergt en dat combineert met wat lessen die we hebben getrokken uit de ervaringen van andere lokale projecten.

Het goede nieuws daarbij is dat techniek en verspreiding – in tegenstelling tot voorheen, toen het bezit van een drukpers en een ingewikkeld distributieapparaat een vereiste was voor elke uitgever – geen enkele belemmering meer vormen. Natuurlijk is de ontwikkeling van een stabiel platform waar op een gegeven moment misschien wel miljoenen bezoeken probleemloos moeten kunnen plaatsvinden, niet gratis. Maar het zijn pinda’s vergeleken bij de investeringen die “normaal” zijn in een traditioneel mediabedrijf. Waarmee trouwens ook is aangegeven dat de drempels voor instappers lager dan ooit zijn en dat het dus meer en meer zal aankomen op de inhoud van het gebodene.

Een inhoud die ook is afgestemd op het publicatieplatform: online vereist een andere aanpak dan print. En mobiel, hét ideale platform voor location based services (LBS), kent weer andere wetten dan vast internet. Een mobieltje weet waar ik ben, waar ik vandaan kom, waar ik naar toe ga, wat mijn interesses zijn, waar mijn vrienden mee bezig zijn en niet onbelangrijk, hoe laat het is. Die kennis kan leiden tot de beste op maat gesneden informatievoorziening die je maar kunt bedenken.

Er is trouwens weinig fantasie nodig om de mogelijkheden van LBS op de cultuursector los te laten. Virtueel inchecken bij een museum of bibliotheek als startpunt voor alle gewenste brokken informatie. Lagen van “augmented reality” die met het grootste gemak de directe omgeving omtoveren in een scène uit pakweg 1942. Kunstcollecties die al wandelend aan je voorbij trekken, alsof ze daadwerkelijk opgehangen zijn in de omgeving van jouw voorkeur. Maar ook aanbiedingen die passen bij de in mijn profiel opgegeven voorkeuren. Ah, je bent liefhebber van punkrock; ga dan vooral vanavond even kijken in café De Dolle Drinker. Is maar drie straten verder, volg onze instructies. En met deze code is het eerste biertje gratis!

Ook in onze hyperlokale ambities moeten die platforms – mobiel en vast – de gebruiker straks alle nieuws en overige informatie geven die relevant is in hun lokale context. Dus zowel de incidenten en schandalen als de bouwvergunningen, de openingstijden van de winkels, de laatste aanbiedingen en de meest recente werkloosheidscijfers. En daarmee zijn we weer bij de kern: dat lukt alleen als je erin slaagt die symbiose tussen professionals – onder meer journalisten dus – en de mensen die we vroeger ons publiek zouden noemen tot stand te brengen. Journalisten zijn daarbij veel minder de zenders die ze begrijpelijkerwijs jarenlang waren. En, als het goed is, meer en meer informatiemakelaars, professionals die in staat zijn kennis te activeren.

Een voorbeeld daarvan uit onze pilot in Woerden.
Via een lid van de community kwam het bericht dat er een inderhaast ingelaste ouderbijeenkomst was op basisschool De Wegwijzer. Na enig speurwerk van de communitymanager werd duidelijk dat het om mogelijk seksueel misbruik van een van de leerlingen ging. Een kort artikel verscheen snel op Overwoerden, waarna in rap tempo door de reacties én door de journalistieke arbeid van de communitymanager, meer duidelijk werd. Er kwamen meer artikelen, andere media meldden zich, het werd een landelijk item. En gaandeweg werd, onder meer via social media als twitter en facebook, steeds meer ‘afgetapt’ uit de Woerdense gemeenschap. Kortom: de echte kennis komt van buiten, maar de communitymanager zorgt er voor dat die kennis voortdurend netjes opgepoetst wordt, waardoor deze toegankelijk blijft voor een groot publiek.

Makkelijker wordt het er overigens niet op. Want met de constatering dat het de taak van een moderne journalist is om kennis te activeren, weet deze ook dat zijn taak er nooit op zit. Er is altijd wel iemand die meer of beter weet. In een tijd dat er maximaal eenmaal per 24 uur een deadline was, kon een journalist nog de indruk wekken dat zijn productieproces 24 uur in beslag nam. En dat, na het verstrijken van de deadline, zijn taak er op zat. Hij kon het boek sluiten en op naar nieuwe verhalen. Nu, in een tijd zonder deadlines, is dat excuus onbruikbaar geworden.

Tegelijkertijd is dat het mooie van internet: je kunt een verhaal publiceren én tegelijkertijd het hele verbeterproces verder vorm geven. Sterker nog, dat verbeterproces krijgt nieuwe kansen dankzij de inbreng van het grote publiek. De truc zit hem er dus in de onlinemogelijkheden ten volle te gebruiken voor een nog beter verhaal. De noodzakelijke gedragsverandering bij de journalist is evident.
• Hij moet de illusie dat hij het alleenrecht heeft op bruikbare informatie loslaten.
• Hij moet zijn hele journalistieke proces als het ware openstellen.
• Hij moet af van het (waan)idee dat een te vroeg gepubliceerd verhaal door de concurrent wordt weggekaapt.
• Hij moet de wil hebben om zijn producties te laten verbeteren door mensen met meer kennis.
• En hij moet accepteren dat hij – om uiteindelijk het beste te bereiken voor zijn publiek – soms in eerste instantie tevreden moet zijn met een half verhaal. Mits hij bereid is dat verhaal constant te blijven aanpassen. Of anderen daartoe de gelegenheid geven.

Als dat allemaal lukt, kunnen professional en publiek samen de informatiechaos te lijf.

Een verhaal is NOOIT af. De verbetering gaat oneindig door, de zorg van de verslaggever is altijd vereist. Inderdaad, een extra last op de schouders van de individuele professional, maar een zegen voor het kennis delende en naar volledige informatie hunkerende publiek.