"Journalistiek mag meer profiel krijgen!"

Irene Costera Meijer

Tekst uitgesproken ter gelegenheid van het KIM debat 2012: “Dilemma’s van geprofileerde journalistiek” Den Bosch, 26-1-2012. Door Irene Costera Meijer, Hoogleraar Journalistiek, Vrije Universiteit Amsterdam

(dit artikel werd eerder gepubliceerd op kimforum.nl)

Onder de kop Britse tabloids, hoogstens nog een beetje stout, publiceerde de Volkskrant op 18/1 een groot artikel over de veranderde journalistieke mores in Groot-Brittannië. De afgelopen maanden zou de teloorgang van News of the World tot een maatschappelijk verantwoorder journalistiek hebben geleid. Journalist (Patrick van IJzendoorn) signaleert een waar beschavingsoffensief bij de Britse schandaalpers. Smeuïge foto’s van koninklijke boezems en afluisterschandalen van politici, acteurs en ontvoerde kinderen maken plaats voor degelijke onthullingsjournalistiek.

De nieuwssituatie van het Verenigd Koninkrijk nadert daarmee die in Nederland. Wij hebben immers nooit een echte boulevardpers gekend. De organisatoren van deze bijeenkomst, het KIM, suggereren echter dat een toegenomen oriëntatie op journalistieke kwaliteit ook nadelen heeft. ‘Kranten en actualiteitenrubrieken zijn in menig opzicht beter geworden, maar door hun professionaliteit zijn ze ook sterk op elkaar gaan lijken.’ Oftewel, het streven naar kwaliteit is goed, maar als iedereen het doet, dan leidt het kennelijk tot eenvormigheid.

De afgelopen jaren heb ik meerdere onderzoeken geleid die dit beeld van convergerende kwaliteitsoriëntatie ondersteunen. Dat betekent niet dat alle journalisten op dezelfde manier te werk gaan of dezelfde verhalen produceren. Het betekent zelfs niet dat ze
allemaal streven naar kwaliteit. Het betekent wel dat ze zich oriënteren op dezelfde graadmeter. Als je journalisten vraagt waarin kwaliteitsjournalistiek zich onderscheidt van ‘gewone journalistiek’ krijg je – zeker als ze niet te lang nadenken, het volgende rijtje
kernwaarden:

Conventionele journalistieke kernwaarden:

doel: geïnformeerd burgerschap, kennisvermeerdering

Inhoud: belangrijke ontwikkelingen in buitenland en binnenland, politiek en economie

vormkenmerken: diepgravend, lengte, achtergrond, feitelijk, opiniërend debat, overzichtelijk, tegenstellingen goed tot uitdrukking laten komen, met distantie

nieuwsgaring: onafhankelijk, hoor- en wederhoor,

bronnen: gezaghebbende figuren uit wetenschap, politiek en bedrijfsleven, experts en woordvoerders van officiële instanties

houding van de journalist: kritisch, achterdochtig, waarheidsvinding, waakhond van de democratie, helikopterview

Hoe laat deze eensgezindheid onder journalisten en overigens ook hun afnemers, zich verklaren? Sommigen spreken van een ‘interpretatieve gemeenschap’’, anderen over een eigen paradigma of een gevestigde professionele cultuur, waar je je wel toe moet verhouden om als journalist serieus te worden genomen. En dat een programma als PowNieuws zich afzet tegen deze conventies, bevestigt alleen maar het belang ervan.

Vandaag vraag ik aandacht voor deze verstening van kwaliteit, misschien minder – en daar kom ik later op terug – in de praktijk van de journalistiek, het maken van journalistieke producten, maar wel in het praten erover, het professionele jargon.

Journalistieke kwaliteit lijkt de afgelopen decennia te zijn gestold tot één maatstaf, één merk of één genre met bovengenoemde eigenschappen. Toen we in 2005 jonge mensen interviewden over journalistieke kwaliteit, vergeleken zij het NOS Journaal spontaan met Amerken zoals KLM, Miele, Michelin en verrassend, met Koningin Beatrix. Andere merken zoals het RTL nieuws, Hart van Nederland en prins Willem Alexander kwamen er bekaaid vanaf als B of zelfs C-merken. Kwaliteitsjournalistiek is bovendien getransformeerd tot een eigen genre. Bovengenoemde kernwaarden van het journalistieke product laten zich opvatten als regels en conventies waaraan journalistiek moet voldoen om getypeerd en herkent te kunnen worden als kwaliteit. Zoals vrijwel iedereen binnen een paar seconden doorheeft of zij naar een soapserie, een sportprogramma, een politieserie, een natuurfilm of een reclamespotje kijken, zo zullen de meeste mensen in één oogopslag zien of zij De Telegraaf lezen of Trouw, naar het NOS journaal kijken of naar Hart van Nederland.

Door kwaliteitsjournalistiek te analyseren als merk en als genre, wordt ook duidelijk waarom sommige publieksgroepen weliswaar de kwaliteitsstatus erkennen van bepaalde dag- en weekbladen of nieuws- en actualiteitenrubrieken, maar er niettemin geen gebruik van maken. Net als bij auto’s, kleding, of vakantiebestemmingen verlaten mensen zich in hun keuze niet uitsluitend op de aanbevelingen van Kassa of Consumentenbond, maar laten ze zich ook leiden door andere overwegingen. Persoonlijke smaak en levensstijl zijn vaak belangrijker bij het uitzoeken van een nieuwe spijkerbroek en zelfs een nieuwe woning, dan duurzaamheid of prijs-kwaliteit verhouding.

Dat geldt ook voor de journalistiek. Iedereen weet dat jonge mensen weinig kranten lezen en zich in het algemeen minder oriënteren op kwaliteitsjournalistiek dan vroeger. Nieuwsorganisaties maken zich daar zorgen over. Het NOS Journaal vroeg me een aantal jaren geleden om te onderzoeken hoe het NOS Journaal zou moeten veranderen om jonge mensen (onder de 40) beter te bereiken. Moest het nieuws leuker worden, of zich meer laten leiden door de smaak en de voorkeuren van jongeren? Misschien een lekkere beat onder het openingsitem? We onderzochten op verschillende manieren het nieuwsgebruik, de nieuwsvoorkeuren en de maatschappelijke interesses van 450 jongeren 15-25.

Wat bleek uit ons onderzoek: het grootste deel van de jongeren wilde helemaal niet dat er veranderingen plaatsvonden. Het NOS Journaal moest blijven zoals het was. In hun ogen vormde saai, grijs, degelijk en betrouwbaar een kwaliteitskeurmerk. Hoewel juist die eigenschappen ervoor zorgden dat ze normaliter zelden naar het nieuws keken, vormde het hun baken, hun rots in de branding in rumoerige tijden. Om aan de wens van jonge mensen te voldoen, diende het NOS Journaal zich verre te houden van popularisering of opleuking. Het diende simpelweg beschikbaar te zijn als jonge mensen het nodig hebben, net zoals crèches, goed onderwijs, of een ziektekostenverzekering en liefst 24 uur per dag, 7 dagen in de week.

Als de kwaliteitsjournalistiek zich zou laten reduceren tot een merk of een genre, zou mijn verhaal hier kunnen stoppen. Zolang mensen kunnen rekenen op een ‘basisverzekering’ van goede journalistiek is er immers weinig aan de hand? Al enkele decennia bestaat er echter ook nog een andere maatstaf voor journalistieke kwaliteit die niet alleen kan worden afgelezen aan de reputatie van de krant of de nieuwsrubriek, de inhoud van het genre en de gevolgde procedures (zie bovenstaand rijtje). En die maatstaf is de maatschappelijke functie van kwaliteitsjournalistiek. Journalistiek heeft impact. Nieuwsmedia informeren niet alleen over de wereld, maar geven deze wereld ook daadwerkelijk vorm, doordat zij gebeurtenissen als eerste in taal en in beelden gieten. Nieuwsgebruikers beleven de wereld primair via de verhalen, de analyses en de woordkeuze van de journalistieke media.

De tweede maatschappelijke functie van journalistiek is daarvan afgeleid en heeft betrekking op de democratische missie van de nieuwsmedia. Journalisten bezorgen mensen niet alleen de informatie die ze nodig hebben om als democratisch burger goed te functioneren. Journalisten maken het mensen niet alleen gemakkelijker om wezenlijke keuzes te maken over persoonlijke en maatschappelijke vraagstukken. Journalisten geven deze democratische wereld, deze democratische cultuur ook mede gestalte. Dat doen ze door sommige waarden en normen, omgangsvormen en praktijken vanzelfsprekend te ondersteunen en andere kritisch te bejegenen of af te wijzen. Het kwaliteitsmoment van deze culturele democratische journalistieke functie houdt in dat nieuwsmedia ons betrekken bij de vraagstukken omtrent ‘het goede leven’. Voor de duidelijkheid, ik heb het hier niet over het feel good gevoel dat de KRO ons regelmatig bezorgt, maar over het vraagstuk welke democratische normen en waarden wij als wereldburgers en als Nederlanders relevant en van belang vinden en wat daar de persoonlijke en maatschappelijke consequenties van zijn (vgl. Costera Meijer, 2002).

Als kwaliteitsjournalistiek zich in het verlengde van deze democratische functies breder zou profileren, dan ambieert ze het om daarop te worden afgerekend! En dan maakt het uit of bepaalde groepen in de samenleving zich minder aangesproken of zelfs uitgesloten voelen, door de journalistiek. Journalistiek als basisverzekering getuigt dan van onvoldoende kwaliteitsbesef.

Het is precies deze democratische functie die Henk Hagoort bij zijn aantreden als voorzitter van de RvB van de Publieke Omroep voor ogen had toen hij actualiteitenrubrieken aanzette tot een meer geprofileerde journalistiek. Deze oproep hield in dat journalisten programma’s dienden te maken die meer mensen dan een bepaald 50-plus segment van de samenleving, informeerden over en betrokken bij ons democratische bestel. Om heel Nederland aan te kunnen spreken (het bestaansrecht van de Publieke Omroep) zouden met name actualiteitenrubrieken de rechtse en linkse stemmen luider dienen te laten doorklinken in hun reportages.

Zijn oproep zorgde voor veel ophef. Journalisten uiten alom hun twijfels en betoonden zich beducht voor de consequenties. Betekende profilering van de journalistiek niet een terugkeer naar de journalistieke verzuiling van de jaren vijftig? Of, voor menigeen nog erger, moesten ze Wilders een nog groter podium geven dan hij al had? Welk verstandig mens zou het een teken van kwaliteitsprofilering vinden als elke ferme Wilders tweet de voorpagina haalt van dagbladen en nieuwssites? Hadden sommige racistische of xenofobe stemmen wel recht op een plaats in het journalistieke domein? Was het idee van journalistieke kwaliteit niet juist ook heel erg verbonden met een bepaald niveau van beschaving?

Het dilemma van de geprofileerde journalistiek is duidelijk. Aan de ene kant is het de taak van de kwaliteitsjournalistiek om mensen beter te betrekken bij onze democratische samenleving en aan alle Nederlanders belangrijk nieuws en relevante inzichten te bieden. Aan de andere kant is het ook de taak van de publieke omroep om die democratische cultuur mede vorm te geven, dat wil zeggen aanschouwelijk te maken hoe je democratie daadwerkelijk kunt leven door bepaalde normen en waarden hoog te houden als rekening houden met minderheden, elkaar met respect behandelen, via de dialoog tot oplossingen komen etc.

In dit tijdsgewricht formuleerde de publieke omroep de doelstellingen van een nieuwe, meer geprofileerde actualiteitenrubriek. Ik citeer uit een intern beleidsdocument (3D) dat aangeeft aan welke eisen de nieuwe actualiteitenrubriek moest voldoen:

a. Omroepbeleid:

i. “Palet aan de diverse geluiden in de samenleving beter weergeven en in context plaatsen.
ii. Meer journalistiek-opiniërend aanbod vanuit een bepaalde overtuiging of invalshoek.
iii. Meer eigenzinnige journalistieke keuzes maken en meer dissonante geluiden laten horen.”

b. Ambitie:

Gaan voor journalistieke kwaliteit & Ideologische gedrevenheid

c. Werken met anchors:

nadrukkelijk aanwezig. personalities passend bij de ambitie

d. Uitzending openen met nieuws van de dag:

Urgentie en Scherpe en eigenzinnige keuzes

e. Opbouw uitzending:

Mix van nieuws- en achtergrondreportage en gesprek of debat.

Ziedaar de bijbel van het format achter het in sneltreinvaart door drie heel verschillende omroepen (Wakker Nederland, de VARA en de EO) uitgedachte programma Uitgesproken! Een rubriek, die de rechtse, de linkse en de evangelische stem luider zou laten klinken.

Nadat Uitgesproken! in een paar maanden zijn vorm had gevonden, vroegen de redacties me om te onderzoeken of het format ook werkte. Voldeed de rubriek aan de opdracht tot kwaliteitsprofilering die de Publieke Omroep had geformuleerd? Onze masterstudenten onderzochten onder leiding van collega Anita van Hoof onder andere of het programma voldeed aan de wensen van het publiek. Kort samengevat was het inderdaad zo dat het publiek het opiniërende karakter van de rubriek herkende. Het onderzoek suggereerde echter ook dat mensen van een kwaliteitsrubriek meer verwachten dan dat deze hun eigen mening weerspiegelt. In hun ogen was er geregeld en met name bij WNR en VARA te weinig plaats voor de mening van anderen. Ook de kijkcijfers lieten een lagere tevredenheid zien dan bij voorganger Netwerk. Ze illustreerden dat er met een meer geprofileerde journalistiek niet per se meer of andere doelgroepen werden aangesproken.

Ander onderzoek bevestigt de uitkomst dat nieuwsgebruikers niet zo geïnteresseerd zijn in opinies en al helemaal niet als ze niet op kennis of ervaring zijn gebaseerd. Conclusie: Uitgesproken! was niet het format waarop Nederland zat te wachten. En natuurlijk speelde de onervarenheid van de makers en de onbekendheid van presentatoren een rol, maar de verklaring die inhoudelijk gezien het meeste hout sneed, was dat er sprake was van een mislukte poging om met een oude oplossing (terugkeer naar de verzuiling) een nieuw probleem te lijf te gaan.

Maar wat dan wel? Als ideologische profilering niet aansluit bij de journalistieke behoefte van de bevolking, hoe kan de publieke nieuwsvoorziening dan aan waarde winnen? Hoe kunnen kwaliteitsmedia hun democratische opdracht beter waarmaken door grotere
groepen in de samenleving daadwerkelijk te informeren over en te betrekken bij onze samenleving? In de tweede helft van mijn verhaal zal ik op deze vraag nader ingaan.

Moet kan de kwaliteitsjournalistiek aan waarde winnen, zonder zich ideologisch te profileren?

Als journalistieke kwaliteit zich niet laat reduceren tot merk of genre, en meer profiel niet gelijk te stellen is aan meer ruimte voor opinies of ideologie, dan zullen nieuwsorganisaties die zich door kwaliteit willen onderscheiden, een nieuwe journalistieke maatstaf dienen te ontwikkelen. In plaats van de vraag te stellen hoe nieuwsmedia beter hun publiek kunnen bereiken (de marketing benadering) , onderzocht ik hoe nieuwsmedia meer voor hun gebruikers kunnen betekenen (de public service benadering). Daartoe leidde ik de afgelopen jaren diverse onderzoeksprojecten die uiteenlopende publieksgroepen vroegen naar hun ervaring van mediakwaliteit. U moet hierbij denken aan, jongeren 15 – 25, sympathisanten van de VPRO; kinderen van 6-12; mensen met interesse voor spiritualiteit, bewoners van probleemwijken, Amsterdammers, Rotterdammers, Utrechtse ondernemers, moslimjongeren, directeuren van publieke organisaties en politieke bestuurders en tenslotte mensen die nieuws vooral via digitale mobiele media tot zich nemen. Het centraal stellen van hun beleving van kwaliteit in plaats van hun mening over kwaliteit impliceerde dat we ze onder meer vroegen naar de gewoontes in hun nieuwsgebruik en naar de momenten waarop ze enthousiast werden, op het puntje van hun stoel gingen zitten, of juist kwaad, geërgerd of verveeld wegzapten dan wel de krant terzijde schoven. We vroegen mensen bovendien naar hun belangrijke vraagstukken en welke aandacht nieuwsmedia daaraan schonken. Uit al deze onderzoeken zijn meerdere patronen te destilleren. Ik zal er een uitlichten uit recent onderzoek (zie De Leesbare Wijk, 2010) en dat betreft de ervaring van nieuws door bewoners uit probleemwijken en lokale bestuurders.

1. Kwaad

Politici, directeuren van bedrijven en bestuurders vertelden ons dat ze regelmatig pijnlijk werden getroffen door het nieuws. Nu ligt dat voor de hand zou je kunnen zeggen, want is het niet de taak van de journalistiek om deze groepen nauwlettend en kritisch te volgen. Het opvallende was echter dat deze mensen zich veel minder gekwetst voelden als de journalist een misstand boven tafel had gehaald waar zij, hun bedrijf of partij verantwoordelijk voor waren. Dat vonden ze vanzelfsprekend niet prettig, maar dergelijke berichtgeving raakte hen minder. Waar deze groepen zich kwaad over konden maken, waren de nieuwsberichten die de waarheid geweld aan deden, die te weinig oog hadden voor belangrijke overwegingen of nuanceringen. Burgemeesters en wethouders gaven aan dat ze zich enorm konden opwinden over de consequent negatieve en incidentgerichte berichtenstroom over de lokale politiek en, nog erger, de geringe precisie ervan. Hoewel een aantal bestuurders gewag maakte van kwaliteitsanalyses, ook als het misstanden in hun regio betrof, hadden de meesten de ervaring dat belangrijke complexe vraagstukken systematisch buiten het journalistieke blikveld vielen terwijl andere systematisch zonder context werden weergegeven. Zo vertoonden journalisten, zowel landelijk als regionaal, de neiging bepaalde problemen van de regio buitenproportioneel op te blazen. Een voorbeeld daarvan is de berichtgeving omtrent etnische jongeren en onveiligheid. Een wethouder van een middelgrote stad over de invloed ervan:

Dus mensen op straat vertrouwen elkaar niet meer. Want kennelijk kun je op elk moment door elke willekeurige voorbijganger in elkaar geslagen worden. En dat is in H. niet aan de hand. Ik bedoel, natuurlijk zijn er rellen, offuh gevechten, in het uitgaansleven, ook hier. Maar ik durf bijna te zeggen we hebben nauwelijks rot‐Marokkaantjes, die zijn natuurlijk niet te ver‐ge‐lijken met hoe er in andere steden mee omgegaan moet worden. (..) Maar de mentaliteit wordt echt aangetast, van ja, het deugt allemaal niet hier.

Ons onderzoek naar de relatie tussen journalistiek en de nieuwservaring van bewoners van twee Utrechtse probleemwijken Kanaleneiland en Overvecht bevestigt het verhaal van de wethouder. Een overdaad aan eenzijdige berichtgeving bleek diep in te grijpen in het dagelijks leven van mensen. Familie en vrienden durfden niet op bezoek te komen, bewoners zelf waren angstig om na donker de straat op te gaan of zelfs hun eigen garagedeur te openen. Naoual (41): ‘Als je dan tegen iemand zegt in Rotterdam van ja ik woon in Overvecht, dan zeggen ze van ‘oh mijn god’. Die denken meteen dat het een of andere gettowijk is of zo.’ Mensen raakten vervreemd van hun dagelijkse omgeving omdat ze door de het systematisch vertekende nieuws het gedrag van hun medebewoners niet goed konden inschatten. Postbode Arnout (54): ‘Toen ik hier doorheen fietste, fietste ik heel snel, want ik dacht ik ben m’n leven hier niet zeker. Dat is echt zo. Ik voelde me niet zeker als ik door deze wijk fietste.’

Een overdaad aan eenzijdig tendentieus nieuws is niet altijd ingegeven door wat er gebeurt in de wijken. Zo kampte een naburige wijk Lombok met dezelfde problemen op het gebied van huisvesting, geweld en inbraken, maar was het nieuwsprofiel niet gestuurd door het probleemframe en leken de bewoners veel minder last te ondervinden de mediareputatie van de wijk.

2. Enthousiast

Waar deze bewoners naar snakken, en daar staan ze niet alleen in, is naar een journalistiek die recht doet aan hun ervaring van de wijk. Zo betoonde Hanneke Denekamp (53) inwoonster van Kanaleneiland zich bijzonder blij met een uitzending van Rondom Tien (NCRV). De kwaliteit die deze uitzending had, was het beschikbaar stellen van een verhaal en een taal die rechtdeed aan het soms problematische karakter van een multiculturele woonomgeving, zonder dat mensen onheus worden bejegend.

(uit: Een leesbare wijk. De impact van wijktelevisie, 2010):

Ik heb een paar weken geleden een uitzending gezien van Rondom 10. Dat ging over de laatste autochtonen in de wijk. Er waren een paar mensen die durfden te vertellen hoe ze zich als allochtoon voelden in hun eigen wijk. En mijn hart ging helemaal open. Hoe het is voor een autochtoon die al jaren in zijn stad, in zijn wijk woont, en alles heeft zien veranderen en die zich daardoor niet meer prettig voelt. Omdat het steeds multicultureler wordt. Er was een vrouw die zei ‘ik stap mijn deur uit en vier, vijf straten verder kom ik bij mijn bakker. En dan pas wordt voor het eerst ‘goedemorgen’ tegen mij gezegd.’ Zo voel ik het dus ook. En die mensen bij Rondom 10 waren niet discriminerend. Ze zeiden gewoon heel rustig van ‘ik voel me ontheemd en ik zou zo graag gewoon weer eens lekker Hollands om me heen willen horen. Zo van ‘hé buuf, hoe is het?’. Nou, dat hoor ik hier ook niet.

Rondom Tien slaagde erin om een groep mensen aan te spreken en (weer) te betrekken bij de democratische samenleving door te laten zien hoe een probleem kan worden geadresseerd dat samenhangt met het steeds multicultureler worden van de samenleving,
zonder dat multiculturaliteit zelf als oorzaak wordt aangemerkt.

Of het nu gaat om bewoners of bestuurders, bedrijven of publieke organisaties, ze uiten geregeld de wens dat er vaker en beter gebruik gemaakt wordt van hun ervaringen, kennis en deskundigheid. Niet zozeer om hun eigen perspectief nadrukkelijker in het nieuws te krijgen, maar meer om de kwaliteit ervan te verhogen, zodat hun vertrouwen in de berichtgeving wordt hersteld. Zo stelt ingenieur Karel van Wees (64, directeur Gemeentewerken): ‘Als het niet klopt op de momenten waarop ik er verstand van heb, dan zal het verhaal ook wel niet kloppen op andere momenten.’ Een dergelijke zelfbewuste houding onder nieuwsgebruikers is relatief nieuw en uit zich ook in de wens dat nieuwsmedia zich vaker naar de burger dienen te richten in plaats van andersom.

Hoe kunnen nieuwsorganisaties hun gebruikers vaker een kwaliteitservaring bezorgen?

Die wens om de leefwereld van de burger centraler te stellen vindt overigens gehoor bij diverse kwaliteitsmedia. Als hoofdredacteur Peter Vandermeersch tien nieuwschefs vraagt waar zij in 2012 naar uitkijken, blijkt de helft van de chefs hun lezers op de een of andere manier in zijn plannen te betrekken. Zo stelt Chef Binnenland Gretha Pama (NRC, 2-01-2012):

Op de binnenlandredactie stellen we ons voortdurend de vraag: wat zouden onze lezers willen weten van de dingen die ze om zich heen horen en waar ze over praten – met collega’s, vrienden of thuis aan de keukentafel. Maar mensen praten niet alleen over het nieuws. Ze praten ook over de dingen die gebeuren in hun leven. Waarom zijn er op de basisschool van mijn kinderen alleen nog maar vrouwelijke leerkrachten? Wat fijn dat de zorg voor mijn demente moeder nu weer kleinschalige buurtzorg is, maar hoe kan dat eigenlijk? Klopt het dat er om mij heen steeds minder mensen met een hoge opleiding in scheiding liggen?

Dit citaat illustreert de door veel nieuwsgebruikers gewenste professionele houding: het serieus nemen van de vraagstukken van lezers zonder daarbij aan te nemen dat dit automatisch leidt tot trivialisering van de journalistiek. De chef binnenland geeft daarnaast blijk van een ‘empatische smaakomslag’: dat wil zeggen het prefereren van willen begrijpen boven willen bekritiseren als basis instelling. De empathische smaakomslag wordt ook geïllustreerd door een interviewfragment van een 25 jarige administratief medewerkster met een Marokkaanse achtergrond. Zij antwoordde op de vraag of ze wel eens naar actualiteitenprogramma’s kijkt.

R. ‘Ja, ik kijk wel eens naar NOVA.
Interviewer: Ja? En waarom vind je dat interessant?
R. ik weet niet… gewoon andere mensen hun mening te horen en euh.. dat lijkt me…ja je moet natuurlijk wel andere mensen leren kennen…ja, en dat is euh,.. ja daardoor weet je ook meer over andere mensen en hoe zij denken..
Interviewer: En waarom vind je dat belangrijk dat je weet hoe andere mensen leven en denken?
R. Ja, ..ik vind het ook leuk als iemand anders ook weet hoe ik me zeg maar voel… je kan niet zomaar zeggen van oh dat en zij is zo en zo als je niet eens weet hoe zij is of.. ja.
Interviewer: Dus je probeert van iemand anders echt wat te weten te komen?
R. Ja, gewoon andere mensen leren kennen, weten wat ze leuk vinden en weten wat ze niet leuk vinden …want meestal straal je het uit en dan is het heel wat anders wat je uitstraalt en dan begrijpen mensen je verkeerd…’

Als nieuwsgebruikers suggereren dat opinies van anderen voornamelijk interessant zijn als ze leiden tot meer begrip van de situatie, hoe kan journalistieke kwaliteit dan toch aan profiel winnen? Ik wil eindigen met een aantal aanbevelingen op basis van gebruikerservaringen.

Kwaliteitsjournalistiek kan aan waarde winnen voor de gebruikers als zij zich meer profileert; in termen van kernwaarden, in termen van nieuwsdragers en in termen van journalistieke vertelvormen en genres.

1. kernwaarden: Gebruikers stellen meer en soms ook andere waarden voor als richtinggevend voor journalistieke kwaliteit:
1a. Onafhankelijkheid moet dan niet alleen blijken uit de gevolgde procedure, maar vooral ook uit de tekst zelf. Door niet alleen hoor- en wederhoor toe te passen (en dus vaak in een conflict frame terecht te komen), maar aan meerdere perspectieven aandacht te besteden. Als dat teveel ruimte of tijd kost voor één nieuwsreportage, dan graag als vervolgverhaal.
1b. Waarheidsvinding blijft cruciaal! Kwaliteitsjournalistiek moet onwelkome feiten aan het licht brengen. Een pijnlijke waarheid boven halen is echter iets anders dan pijnlijke journalistiek bedrijven. Dat laatste is het geval als de waarheid geweld wordt aangedaan.
1c. De berichtgeving hoeft niet neutraal, dat wil zeggen afstandelijk te zijn (liever niet zelfs), maar betrokkenheid en engagement moeten wel gepaard gaan met onpartijdigheid.
1d. Een journalist dient kritisch te zijn, maar niet vooringenomen, niet zeurderig of zuur.
1e. Een open, nieuwsgierige, hartelijke en gastvrije houding zoals bij DWDD wordt sterk bepleit, maar moet naïveteit of oppervlakkigheid zien te vermijden.
1f. Mensen willen hun vraagstukken en situaties herkennen in de journalistiek, maar dat is niet hetzelfde als hun meningen terugzien.
1g. Begrip behoeft meer dan duiding en houdt tevens een analyse of uitleg van het voorval of vraagstuk in, vgl. de aanpak van tijdschrift Quest of het Tv-programma Keuringsdienst van Waarde.

2. De kwaliteit van de nieuwservaring hangt ook af van de nieuwsbehoefte; om even snel op de hoogte te zijn van wat er gebeurt, gebruiken mensen andere nieuwsdragers en nieuwsplatforms dan als zij belangrijke gebeurtenissen willen begrijpen of willen duiden. In het eerste geval zijn mobiele nieuwsdragers als smart phones en tabletcomputers favoriet met Nu.nl. als favoriete platform dat
kort, feitelijk en overzichtelijk het nieuws rangschikt. Twitter leent zich goed om even snel de eigen mening of ervaring te vergelijken met die van anderen. Om de wereld te willen begrijpen, zijn krant en televisie geschikter: deze media lenen zich beter voor het verdiepen en verbreden van het voorstellingsvermogen van mensen door vraagstukken vanuit verschillende perspectieven aan de orde te stellen. De oh, ah en wauw ervaring die NOS op 3 wil bieden.

3. Gebruikers stellen andere journalistieke vertelvormen op prijs. Het omgekeerde piramidemodel dat zich concentreert op wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe lijkt vooral geschikt voor het snelle nieuws via internet. Televisie en kranten kunnen als het aan de gebruikers ligt, meer experimenteren met vertelvormen. Zo constateerden we recent dat TV-kijkers een item meer waardeerden als het chronologisch werd verteld, of juist als een detective, met eerst het voorval (bijvoorbeeld de moord) en daarna chronologisch het verhaal dat tot het voorval had geleid. Zo kwamen we er vorig jaar bij toeval achter dat nieuws ook wordt gewaardeerd als het niet alleen antwoorden geeft, maar ook vragen stelt. Dat leidt tot speculatie op de bank of aan de keukentafel en dat waarderen mensen.

Kortom, als media zich meer willen profileren op kwaliteit en meer willen betekenen voor grotere groepen mensen, dan doen zij er goed aan om zich verre te houden van ideologische profilering. Wat nieuwsgebruikers verwachten van kwaliteitsjournalistiek heeft weinig met geopinieerde journalistiek te maken en veel meer met een oriëntatie op een breder scala aan kernwaarden, verwachtingen en nieuwsbehoeften die passen bij verschillende (mobiele) nieuwsdragers. Kwaliteitsjournalistiek doet er dan ook goed aan om een grotere variëteit aan vertelvormen te ontwikkelen die passen bij het moment en de plaats van het nieuwsgebruik.