Facebookers moeten profiteren van de kansen

Facebookers moeten in verzet komen, schreef José van Dijck dinsdag in NRC Handelsblad (online niet openbaar beschikbaar). Dit is nodig, aldus de hoogleraar mediastudies aan de Universiteit van Amsterdam, omdat Facebook commercieel succes boekt dankzij de gratis gedeelde informatie die de gebruikers op dit platform achterlaten. En daarmee nu via een beursgang ook nog eens 100 miljard dollar lijkt te gaan ophalen.

Dat de gedeelde gedachtenspinsels van de Facebookleden grote waarde hebben, staat buiten kijf. Van Dijck constateert terecht dat veel bedrijven bakken met geld over hebben voor inzicht in de routines van hun potentiële klanten.

Van Dijck analyseert én verwerpt in haar artikel drie typen reacties van gebruikers. Zij stelt dat de Facebookers niet in verzet komen omdat Facebook gratis is, niet verplicht is en omdat ze “toch niets te verbergen hebben”. Anders gezegd: de verlokkingen van Facebook zijn zo groot dat gebruikers niet eens willen nadenken over de andere kant van die medaille. En dat is kortzichtig en niet in het belang van de te goedgelovige gebruiker, stelt Van Dijck.

Waarde terug

Van Dijck vergeet er helaas bij te melden dat diezelfde gebruikers ook waarde terug krijgen. Waardoor het niet het commerciële eenrichtingsverkeer is dat door haar wordt gesuggereerd.

Die waarde is het duidelijkst te vinden in wat klassieke media de entertainmentsfeer zouden noemen. Facebooken is een vrijetijdsbesteding die alleen al in Nederland miljoenen mensen plezier oplevert. Het nieuwe daaraan is dat dat niet meer – zoals in de bekende massamedia het geval is – louter door achterover te leunen gebeurt, maar door dat plezier samen met je “vrienden” op te bouwen. Ze verrassen je met hun belevenissen, jij reageert daar op en samen geniet je van het resultaat.

Maar het gaat verder. Facebook heeft onbedoeld een belangrijk deel van de rol van traditionele media overgenomen als nieuwsbrenger. Niet altijd als originele bron trouwens, vaak gebeurt dat in de vorm van een link naar een traditionele nieuwsbrenger, als intermediair dus. Maar hoe dan ook als verkondiger van nieuwe informatie voor de gebruiker. Daarmee is Facebook in een paar jaar tijd voor een hele generatie een even logische nieuwsbrenger geworden als krant en tv dat zijn voor de 50-plussers in onze samenleving.

Daarnaast geeft Facebook mogelijkheden op zakelijk niveau. Niet voor iedere beroepsgroep in even grote mate, maar afhankelijk van de door jouzelf bepaalde vriendenkringen is het dankzij Facebook (en andere social media) duizend keer makkelijker geworden om relevante netwerken aan te boren dan in het verleden het geval was.

Los van deze aantoonbare waardecreatie overtuigt ook de bewijslast tegen de drie door Van Dijck onderuit gehaalde verlokkingen (Facebook is gratis, Facebook is vrijwillig, een Facebooker heeft niets te verbergen) niet echt.

Gratis

Dat Facebook gratis is, is slechts schijn, betoogt Van Dijck. Immers, “je betaalt Facebook met de sporen die je bewust of onbewust achterlaat op het netwerk. Deze data kunnen worden gebruikt voor doeleinden waarmee je het helemaal niet eens bent. Als iets gratis is, ben je geen consument. Je bent het product dat wordt verhandeld.” Hoe waar het ook is dat Facebook geld kan verdienen met klantendata, daarmee onderscheidt dit bedrijf zich niet van andere mediabedrijven. Bovendien heeft een abonnee van een krant ook geen garanties dat het geld dat hij daar achterlaat altijd goed besteed wordt. Dat zijn dus, nog los van het feit of je het ermee eens bent, geen argumenten waarmee specifiek Facebook om de oren kan worden geslagen. Dat een gebruiker van gratis media geen consument is maar zelf een verhandelbaar product, lijkt me met een blik op zo’n beetje alle nieuwssites, commerciële tv- en radiostations en gratis kranten, op zijn zachtst gezegd twijfelachtig.

Vrijwillig

Het argument dat je vrijwillig meedoet aan Facebook (en het dus ook niet zou kunnen doen), getuigt volgens Van Dijck van “weinig inzicht in de macht van de norm”. Peer pressure zou ervoor zorgen dat niemand zich aan Facebook kan onttrekken. “Iedereen zit erop. Zo werken sociale normen.” Dat klopt. Het is, niet alleen voor jongeren, lastig om niet mee te doen aan een zo dwingend fenomeen. Maar ook hier geldt: in hoeverre wijkt dat af van het gevoel van een bewoonster van een bejaardenhuis die niet naar buiten zal gaan zonder eerst haar nagels te lakken? Immers: wat zal de buurvrouw ervan zeggen? Of van de spelers in een voetbalteam die de kantine niet zullen verlaten voordat ze gezamenlijk de kratten tot het plafond hebben gestapeld? Immers: ik ben toch geen mietje! Peer pressure kan in veel situaties tot onwenselijke taferelen leiden. Soms is de maatschappij zelf er de veroorzaker van. Een samenleving die toegang tot internet als een grondrecht wil beschouwen, maakt het gebruik ervan immers tot een vanzelfsprekendheid. Iemand die daarvan afziet, ontzegt zichzelf een grondrecht. Toegegeven, internet staat nog niet gelijk aan het gebruik van Facebook, maar dat gaat nog een stap verder dan peer pressure.

Niets te verbergen

Het derde argument (“ik heb niets te verbergen”) noemt Van Dijck het gevaarlijkste. Wie dit roept, “accepteert dat de grenzen tussen persoonlijke data, advertenties en publieke informatie vervagen”. Ik zou het willen omdraaien: wie niet accepteert dat de grenzen tussen persoonlijke data, advertenties en publieke informatie vervagen, is tegen windmolens aan het vechten. Die grenzen zijn namelijk al zo troebel als wat, daar heeft Facebook hoogstens een kleine bijdrage aan geleverd. Privé en werk lopen in elkaar over, advertenties zijn alom tegenwoordig en extreem gepersonaliseerd, wat persoonlijk is wordt met de eerste de beste telefooncamera publiek en wat publiek is, kan door iedereen naar het persoonlijke worden overgebracht. Nee, dat is niet altijd even leuk, maar hey, dit is onze maatschappij.

Ertegen vechten levert weinig op, maar kennis vergaren over deze processen is natuurlijk van levensbelang. Om goed te kunnen functioneren, moeten we die nieuwe mediawerkelijkheid kunnen doorgronden. We noemden het mediawijsheid, maar die term volstaat niet meer nu nog maar een klein percentage van de actieve mediamiddelen in handen van professionals is. Iedere burger is een potentiële waarnemer, verslaglegger, uitgever geworden. Het besef dat er overal camera’s zijn (vastgeschroefd aan lantaarnpalen of in de handen van een onbekende voorbijganger), de vaststelling dat alles wat ik zeg en doe door iemand kan worden uitvergroot, je kunt er maar beter op voorbereid zijn.

Media zijn extreem gedemocratiseerd en geïndividualiseerd. Wie wat wil roepen, vindt daar zonder moeite een persoonlijk platform voor. Het rijpe en groene resultaat daarvan wordt nog steeds deels afgevangen door min of meer traditioneel werkende journalistieke organisaties, maar meer en meer ook door ondernemingen als Facebook en Twitter. Dat aan beide kanten van dat spectrum geld verdiend moet worden is logisch. Tevreden Facebookers oproepen daartegen in verzet te komen is even onzinnig als onrealistisch. Verstandiger is het om als Facebooker optimaal te leren profiteren van de geboden kansen.