Rondetafel persbeleid werd aanval op Publieke Omroep

Blik op de leden van de vaste Kamercommissie, vanuit de bankjes van de Troelstrazaal

Naar aanleiding van de evaluatie van het werk van het stimuleringsfonds voor de pers wilde de vaste kamercommissie voor Media wel eens weten hoe de sector er zelf over dacht. En dus werden twee handen vol vertegenwoordigers van de media uitgenodigd voor een rondetafelgesprek. Het leidde helaas niet tot nieuwe inzichten, maar misschien is dat ook wel logisch als zowel vanuit de politiek als vanuit de media zelf vooral weer werd gehamerd op de inmiddels bekende stokpaardjes.

Eén onderwerp sprong er wel uit, al was het maar omdat Volkskrant-hoofdredacteur Philippe Remarque en TMG-directeur Frank Volmer het er zo roerend over eens waren: de marktverstoring die uit gaat van de publieke omroep, met name de NOS. Remarque die spontaan de microfoon aan Volmer geeft, Volmer die aangeeft nog liever door de Volkskrant verslagen te worden dan door de NOS, het had iets van een dans voor twee heren.

In mijn eigen bijdrage heb ik vooral benadrukt dat het tijd wordt om het beleid te laten aansluiten op de veranderde tijden. Wat ik zei:

“In de basis moet de overheid (cq de politiek) zorgen voor omstandigheden waarbinnen onafhankelijke journalistieke kernactiviteiten als informatieoverdracht, waarheidsvinding en opinievorming goed kunnen gedijen. Uitvloeisel daarvan is het creëren van wetten en regels om die activiteiten op alle relevante platforms te laten plaatsvinden (of het schrappen van wetten en regels die dat belemmeren). Actief ingrijpen is pas nodig als stelselmatig bepaalde maatschappelijk relevante thema’s onderbelicht blijven. Dit ingrijpen is dan bij voorkeur incidenteel. Ook kan de overheid prikkels geven die leiden tot innovatie, bijvoorbeeld door rechtstreekse steun (financieel) of door belastingvoordeel. Het Stimuleringsfonds is daarvoor een goede uitvoerende instantie.

Tegen deze achtergrond is de structurele steun voor de publieke omroep een anachronisme. Historisch gezien is die steun verklaarbaar, maar gezien de veranderende omstandigheden is de vraag gerechtvaardigd waarom die steun er momenteel is. En áls deze noodzakelijk wordt geacht, waarom deze dan beperkt blijft tot de omroep-gerelateerde platforms.

De steun aan de publieke omroep is niet de kern van het persbeleid, maar is daar wel typerend voor. Je zou kunnen zeggen dat het hele huidige persbeleid een anachronisme is. Want gebaseerd op oude media-werkelijkheden. Dat anachronisme is trouwens niet zo vreemd, gezien het tempo waarbinnen de veranderingen zich de afgelopen jaren hebben voltrokken en omdat het stof daarvan nog lang niet is neergedaald (als dat nog ooit gaat gebeuren). Het is logisch dat de verwarring die de sector zelf beheerst, ook elders merkbaar is. Opleidingen hebben er last van, de politiek heeft er last van.

Toch is er ook nu al iets te zeggen over de richting waarin de veranderingen zich voltrekken – en de opties die de overheid op basis daarvan heeft. De volgende belangrijke trends zijn zichtbaar:

–       Democratisering en individualisering van de publicatiemiddelen: iedereen is uitgever, de grenzen tussen professionele journalistiek en amateuristische meningsuiting vervagen. Hoeveel nieuwe waarde creëert een journalist die een tweet van een politicus herpubliceert?

–       De traditionele journalistieke bolwerken (waaronder krantenredacties) zijn nog steeds verantwoordelijk voor een groot deel van de journalistieke waardecreatie. Nieuwe partijen – óók afkomstig van buiten de professionele journalistiek – mengen zich op dit speelveld. Appbouwer en kunstredacteur komen elkaar daar tegen. Dat maakt het terrein diffuser maar ook veelkleuriger en letterlijk waardevoller.

–       Digitaal is de norm in het nieuwe speelveld. Als originele activiteit of als vertaling van een traditionele activiteit. Oude wetmatigheden, bijvoorbeeld rondom auteursrechten of privacy, komen daarmee op losse schroeven. Wat deelbaar is zal worden gedeeld.

–       De traditionele verdienmodellen van de media-industrie verliezen hun waarde. Vervangende verdienmodellen zijn niet vanzelfsprekend. Concerns met hun basis in gedrukte media hebben moeite met hun positiebepaling: vasthouden aan de bestaande activiteiten en de bestaande business, vol inzetten op onzekere nieuwe online verdienmodellen of een middenweg kiezen? Strategie en bedrijfscultuur zitten elkaar daarbij zichtbaar in de weg.

–       Nieuwe ondernemingen (vaak van buiten Nederland), al dan niet met het bewuste doel een speler te zijn op het traditionele mediaspeelveld, concurreren rechtstreeks met traditionele spelers. Google, Facebook, Marktplaats, Twitter, maar ook heel veel kleinere spelers. Nationale wetgeving staat soms op gespannen voet met deze internationale ontwikkeling. Een deel van de huidige wetgeving is beperkend en kostenverhogend in plaats van stimulerend.