Wijnbergs krant: inhoudelijk vol kansen, bedrijfsmatig zonder basis

(c) De Bezige Bij

In zijn boek De Nieuwsfabriek geeft filosoof en ex-hoofdredacteur van NRC Next Rob Wijnberg een intrigerend voorproefje van de krant die hij binnenkort op de markt wil gaan brengen. Waarbij “krant” in Wijnbergs ogen niet meer staat voor een product op papier. De voordelen van een onlineproductie (inhoudelijk én kostentechnisch) zijn immers zo groot, dat het gekkenwerk zou zijn om nu nog met dode bomen aan de slag te gaan.

De Nieuwsfabriek is een prachtig boek geworden, vooral vanwege de overal aanwezige aansporing tot dieper journalistiek denken. Stap af van de klassieke invulling van het begrip nieuws, zegt Wijnberg. “Mijn ideale krant zou de begrippen ‘nieuws’ en ‘actueel’ dus herdefiniëren: van datgene wat de meeste aandacht trekt naar datgene wat het meeste inzicht biedt.” Hij wil dat doen door context, relevantie en nuance zwaarder te laten wegen dan actualiteit. Want nieuws, zegt Wijnberg, gaat vooral over uitzonderingen. “Wie de wereld uitsluitend zou volgen via het nieuws, weet precies hoe de wereld níet werkt.” Erger nog, “nieuws is een selectieve (want uit uitzonderingen opgebouwde), conservatieve (want op het negatieve gerichte) en repetitieve (want eindeloos herhaalde) uitsnede van de wereld.”

De Nieuwsfabriek heeft een sterke kerngedachte, mooi uitgewerkte voorbeelden en prima onderbouwingen. Hier en daar laat de schrijver zich verleiden tot wat erg veel citaten van beroemde filosofen, maar dat staat het relaas niet in de weg.

Zo maakt Wijnberg meedogenloos korte metten met de journalistieke mantra van hoor en wederhoor. Misschien is dat streven naar objectiviteit goed bedoeld, in de praktijk leidt het slechts tot desinformatie, aldus Wijnberg. “Als theoretisch ideaal betekent ‘objectief’ namelijk dat de journalist een onpartijdig en neutraal beeld van de wereld schetst, maar in de praktijk bevordert de objectiviteit juist het omgekeerde: de journalist constateert iets, tekent twee verschillende meningen op en laat vervolgens in het midden wat ervan klopt of wie er gelijk heeft.”

Hetzelfde geldt voor dat magische woordje “duiding”. Veel kranten hebben er hun mond van vol, maar in de praktijk betekent het niets. Wijnberg: “Ideeën, argumenten en perspectieven die nog niet gemeengoed zijn, die bestaande vooroordelen ontkrachten en lang gekoesterde opvattingen betwisten, hebben namelijk veel meer uitleg en aanloop – en dus meer tijd en ruimte – nodig om geloofwaardig te kunnen worden overgebracht.” Tijd en ruimte die geen enkel journalistiek product momenteel wenst te nemen.

Negen geboden

Aan het slot van de Nieuwsfabriek geeft Wijnberg in negen geboden een voorschot op de ideale krant, waaraan hij momenteel hard aan het bouwen is. Voor het merendeel zijn het punten die ook eerder in het boek aan de orde kwamen. Maar in vier van de negen punten gaat hij ook in op het verdienmodel. En daar vliegt Wijnberg – filosoof, blijf bij uw leest – jammerlijk uit de bocht.

Bij gebod 4: “Het rendement voor aandeelhouders is maximaal 5% en de rest wordt geïnvesteerd in de journalistiek”. Wijnberg noemt dit een “waarborg voor duurzame vernieuwing en journalistieke kwaliteit”. Het is hoogstens een middel ter voorkoming van een APAX-achtige graaicultuur (en daarmee zeker waardevol), maar allerminst een waarborg voor succes. Bovendien: Wijnbergs referentie is een rendement van 20%. Das war einmal. Rendementen van 1% zijn geen vanzelfsprekendheid meer, laat staan van 5%.

Bij gebod 5. Om duurzame klantrelaties te krijgen wil Wijnberg geen abonnees maar aandeelhouders (mede-eigenaars) die zich committeren aan het voortbestaan van de krant. Maar tegelijkertijd krijgen deze mede-eigenaars geen zeggenschap. Het is van tweeën een: wie zich echt committeert (en daarvoor in de buidel tast), verwacht ook mee te mogen beslissen. Betrokkenheid kan niet eenzijdig zijn.

Bij gebod 6. Wijnberg wil geen advertenties. Volgens hem helpt dat de journalistieke onafhankelijkheid en zijn die advertenties ook helemaal niet nodig omdat er geen streven naar winstmaximalisatie is (zie punt 4). Dit is het allerzwakste punt in Wijnbergs plan. Ten eerste hoeft de aanwezigheid van advertenties geen enkele belemmering voor journalistieke onafhankelijkheid te zijn (ik dacht dat we dat idée fixe wel achter ons hadden). Ten tweede miskent hij de waarde die advertenties hebben in zowel de levensvatbaarheid van het product als (jawel, echt waar) het plezier van de lezer. Dat er met de opbrengst van advertenties redacteuren kunnen worden betaald is volgens Wijnberg “misleidend” omdat dit geld toch alleen maar in de zakken van de eigenaren verdwijnt. Daar faalt Wijnbergs logica. Je kunt niet aan de ene kant zeggen dat de winst per se terug moet vloeien in het product en tegelijk beweren dat dat geld toch in de zakken van de eigenaren verdwijnt. Tenslotte zegt Wijnberg dat een krant zonder advertenties per definitie meer inhoud (“en dus meer waar voor het geld van de lezer”) bevat. Onzin natuurlijk: waarom zou een redactie ineens meer gaan schrijven als er geen advertenties zijn?

Bij gebod 9. “Digital only” betekent minder kosten aan drukken en verspreiden. Hier is geen speld tussen te krijgen – behalve dat het misschien onrecht doet aan mogelijke behoeften van een klant (en daarmee potentiële abonnees of aandeelhouders uitsluit), maar ik denk dat dat risico te hebben is.

Los van deze punten zwijgt Wijnberg over kosten en opbrengsten. Hoe groot moet de redactie zijn? Is er een pand nodig? Op welke techniek draait het platform? Hoe groot is de potentiële groep aandeelhouders? Zijn er nog andere inkomstenbronnen? Enzovoort, enzovoort, enzovoort.

Dit alles laat onverlet dat de gedachten die Wijnberg heeft over het concept, zeer aansprekend zijn. Wijnberg zou er daarom goed aan doen snel contact te zoeken met iemand die meer verstand heeft van markten en businessmodellen. Of heel snel op de proppen komen met een Boekhoorn-achtige weldoener.