Professionals en meeschrijvers in de journalistieke arena

Debat voor de Noorder Pers Sociëteit, 4 maart 2013. Rechts Chris Klomp. Foto (c) Jan Buwalda

Voor Chris Klomp.

Bam. Een blogpost op dodebomen, geschreven door de hoofdredacteur van dichtbij.nl, opgedragen aan Chris Klomp, het moet niet gekker worden. En toch, beste Chris, deze is voor jou, de meest uitgesproken dichtbij.nl-bestrijder die ik ken. Ik moest telkens aan je denken, toen de discussie over het al dan niet gratis publiceren op de site van The Atlantic zich afgelopen dagen voltrok.

Kern van de discussie is de vraag of professionele journalisten zich moeten lenen om hun content gratis te plaatsen op platforms waarmee beoogd wordt geld te verdienen. Chris vindt van niet, maar nóg erger vindt hij het als dit soort platforms niet-professionele medewerkers een plek bieden. Zoals dichtbij.nl maar al te graag doet. Dat, zegt Chris, is niet alleen een garantie voor bagger, maar ook een belediging voor de journalistiek.

Dichtbij.nl publiceerde vorig jaar (2012) op 45 regioplatforms iets meer dan 250.000 originele artikelen, van de eigen redactie dus. Daarnaast waren er zo’n 50.000 artikelen van “meeschrijvers”. Deze buitenstaanders (noem het hobbyisten, belanghebbenden, enthousiastelingen of niet-journalistieke experts) waren ook goed voor 72.000 foto’s, bijna 30.000 agenda-items en 130.000 reacties onder de artikelen. In ruimte en aandacht concurreerden ze dus meer dan behoorlijk met de professionals, maar alles bij elkaar konden ze er nog niet tegen op boksen. Of dat dit jaar nog zo zal zijn, betwijfel ik, want de eerste maanden van het jaar is al een behoorlijke stijging van de “meeschrijf-activiteit” zichtbaar.

Onze voornaamste drijfveer voor deze werkwijze is tweeledig. Ze is zowel principieel als praktisch. Niet alleen hopen we hiermee zo veel mogelijk lokale stemmen op dichtbij.nl te krijgen (principieel: wij pretenderen niet zelf de kennis over alles te hebben, laat staan een informatiemonopolie te claimen), maar ook beseffen we dat we met onze relatief kleine redacties nooit alles wat relevant is kunnen coveren (praktisch: we kunnen simpelweg niet overal bij zijn).

Natuurlijk komt er ook een financiële component bij: als we 10 keer zo veel redacteuren zouden aannemen, zou de behoefte aan meeschrijvers minder groot zijn. Maar daarover hoeven we niet moeilijk te doen: als we 10 keer (of zelfs 2 keer) zo veel redacteuren zouden hebben, konden we morgen de tent sluiten. En dat zou op zijn minst zonde zijn van die 400.000 items per jaar, waar elke maand weer zo’n 4,5 miljoen mensen voor naar dichtbij komen. Los daarvan: vergis je niet in de energie die onze professionals moeten steken in het “editen” van al dat werk van onze meeschrijvers. Helemaal gratis is het dus niet voor ons.

Hoewel onze meeschrijvers in grote meerderheid goed willende hobbyisten zijn, zitten er ook behoorlijk wat mensen bij die met journalistieke activiteiten hun brood verdienen. Zij kiezen ervoor dichtbij als platform te gebruiken om de zaken die zij belangrijk vinden voor een specifiek lokaal publiek te verspreiden. Zonder enige betaling of andere tegemoetkoming. Ik vermoed dat Chris Klomp daar niets van snapt.

Even terug naar de discussie rond The Atlantic. Het blad (oplage 480.000) had journalist Nate Thayer gevraagd om een eerder door hem gepubliceerd artikel in te korten en op de site van The Atlantic te herpubliceren. Dat knalde tegen Thayer’s zere been. Hij ontstak in woede en publiceerde de complete mailwisseling tussen hem en de betreffende Atlantic-eindredacteur. Waarna de beer los was.

Kort door de bocht zijn de kampen netjes verdeeld: de voorstanders wijzen erop dat informatie zoveel mogelijk vrij toegankelijk zou moeten zijn en dat ook een publicatie waar je niets voor krijgt kan bijdragen aan je bekendheid en daarmee indirect voor inkomsten kan zorgen. Tegenstanders wijzen er op dat er – net als bij een loodgieter, een chirurg of een onderwijzer – brood op de plank moet komen en dat je van eyeballs nu eenmaal niet kunt leven. En ja, journalistiek is gewoon een vak.

Paul Carr bracht dat standpunt deze week een paar passen verder. Geheel in de geest van Chris Klomp schreef hij:

“The reason professional journalists need to be paid is not because money somehow magically makes them better at their job, but because real journalism is their job.”

Carr ging verder. Volgens hem zijn alle sites die teren op advertenties gedoemd te mislukken. Ze zullen nooit geld genoeg hebben om goede journalistiek te faciliteren.

“Ad-supported current affairs journalism is just a horrible, thankless game.”

Hoe dan ook staan we volgens hem voor de keuze om schaamteloos winst na te streven, of toch liever eervol met ons vak om te gaan en daarvoor ruimschoots beloond te worden met erkenning en vakprijzen. Geen verrassing dat hij de tweede optie verkiest.

“On one side there’ll be the ad supported sites like the HuffPost, Buzzfeed, the Daily Mail, and Forbes who have embraced their role as aggregators, choppers, and filterers out of other people’s work. There will be far fewer of these sites than there are now, but those that remain will be highly profitable, fantastically soul-destroying places to work.

On the other side will be the publications which have figured out a way to pay for all of the real costs of journalism. They’ll have combined a variety of business models to allow them to run almost entirely ad-free, funded in large part by readers. The New York Times will likely be one of those companies. The New Yorker will be. And so will a handful of startups. This group will be significantly less profitable than the content farms (who will constantly try to acquire them), but their comparative poverty will be offset by prizes, and employees who can look their friends in the eye.”

De andere kant van de medaille kreeg afgelopen week ook de ruimte. Niet in de laatste plaats op The Atlantic zelf. Zo was er senior editor Ta-Nehisi Coates, die in veel woorden uitlegde hoe gratis werken hem niet alleen als beginneling op weg had geholpen, maar zelfs als 32-jarige nog uiterst lucratief bleek. Het besluit om tegemoet te komen aan het verzoek van toenmalig editor Matt Yglesias (nu werkzaam voor Slate) om een week voor niks de site van The Atlantic te vullen, heeft hem niets minder dan een carrière opgeleverd.

I agreed to write for Matt because I wanted exposure. I was not a “young journalist.” This was not my chance to break into the profession. What the internet offered was the chance to let all of those ideas compete in the arena, and live and die on the merits. And Matt was offering a bigger arena. I was ecstatic.

I was ecstatic any time anyone took my ideas seriously enough to offer them a platform. Most people never get that.

En dat weet Chris Klomp natuurlijk ook. Niet voor niets rijdt hij met regelmaat naar Hilversum om zich gratis te laten interviewen over zijn vakgebied. Niet voor niets gaat hij gretig in op een verzoek van de Volkskrant om een polemisch stukje te schrijven. Niet voor niets is hij tevreden met twee flessen wijn als hij wordt uitgenodigd voor een debat over de toekomst van ons vak. Niet voor niets, letterlijk. Chris doet dat omdat hij het – net als Ta-Nesi Coates bij The Atlantic – een eer vindt. Omdat hij er plezier aan beleeft. En omdat het heel goed is voor zijn marktwaarde.

Chris Klomp is ook niet op zijn achterhoofd gevallen.