Jeff Jarvis: Wie wil Big Data als er al small data zijn?

Geef Jeff Jarvis een stoel en een microfoon en je bent een held als je hem weet te stoppen. Maar helden waren er vandaag niet nodig tijdens de ronde tafel bijeenkomst die een kleine groep gelukkigen vandaag mocht meebeleven. Jarvis, voor twee dagen in Amsterdam, nam niet alleen alle tijd voor het verwoorden van zijn uitgesproken meningen, datzelfde gold voor het fotograferen van de na afloop geserveerde bitterballen. “Please, can anybody tell me what’s in them?

Jarvis, die grote bekendheid verwierf door zijn lofzang op Google, is ervan overtuigd dat alleen het open web de mediabusiness uiteindelijk op de been kan houden. Natuurlijk snapt hij dat de New York Times een paywall heeft opgetrokken, maar ja, dat is de New York Times he. Een uitzondering. “Iedereen die dat succes probeert te kopiëren loopt het risico in de afgrond te belanden. Je ziet het ïn de VS nu overal, als lemmingen lopen ze achter elkaar aan.”

Volgens Jarvis is het hoog tijd voor de journalistiek om zich te realiseren dat ze helemaal niet in de content-industrie zit (laat staan in de papier-industrie…), maar in de relatie-industrie. “Die content is gewoon een middel om relaties te faciliteren.” Natuurlijk is Google het voorbeeld van hoe het moet: “Ik heb Google nooit verteld waar ik woon of werk. En toch weet Google dat. En als bedankje voor die kennis, krijg ik allerlei handige informatie waar ik wat aan heb. Hoe lang het duurt voor ik weer thuis ben, wat er in de buurt te doen is, waar ik mijn favoriete boodschappen kan halen. Dankzij de relatie die ik met Google heb. Prachtig!”

Veel mediabedrijven hebben grote verwachtingen van het integreren van “Big Data” in hun content. Jarvis ziet het voordeel wel, maar heeft ook een nuance. “Waarom zoeken naar big data, als small data je al op weg gaan helpen? Met een beetje handigheid weet je – net als Google – alles van je bezoekers. Waar ze vandaan komen, wat hun interesses zijn, enzovoort. Maar hoe bedanken we die bezoeker voor die kennis? Niet. We zijn heel goed in het schrijven van artikelen over alle mogelijke onderwerpen, maar word ik daarmee geholpen? Kijk naar wat Google mij biedt op mijn mobieltje en vertaal dat naar een nieuwsplatform, zo ingewikkeld is dat niet.”

Jarvis vertelt hoe hij tijdens de nasleep van orkaan Sandy, die ook over zijn woonhuis in New Jersey raasde, overspoeld werd met artikelen over van alles en nog wat. “Maar wat ik echt wilde weten is tot waar precies de electriciteitspalen gesneuveld waren en waar de reparateurs aan het werk waren. Informatie die er gewoon was, al was het alleen maar omdat mijn buurtgenoten het voor hun deur konden zien gebeuren. Mijn lokale media weten waar ik woon en toch informeerden ze me niet over mijn specifieke omstandigheden. Dat is toch raar?”

Ook in Nederland liggen dit soort kansen voor het oprapen, weet Jarvis. “Begin bijvoorbeeld al eens om pakweg 40% van de inhoud aan te bieden op een manier die aansluit bij mijn profiel. Stel, ik kom uit Utrecht, dan wil ik dus al het Utrechtse nieuws als eerste te zien krijgen. En daarna pas al het andere wat jullie journalisten van belang vinden. Dat is zo’n service.”

Ah, de serendipiditeit blijft dus overeind in die 60%, vraagt een krantenman zich af. Jarvis zucht diep. “Serendipiditeit, pffff. Die krijg ik wel van twitter. Redacteuren zouden zichzelf het liefst serendipiditeuren willen noemen he?” Anders gezegd: wat vroeger een functie van de krant was (iets vinden waar je totaal niet naar op zoek was), hoeft dat in de toekomst niet te blijven. Helemaal geïnividualiseerd ziet Jarvis zo’n nieuwssite trouwens ook niet worden. Dat zou wel erg veel energie kosten en tja, er moet ook wat overblijven om gezamenlijk over te praten. “Denk dus niet aan individuen, maar aan cohorten. Kleine cohorten, dat wel. Bijvoorbeeld vrouwen uit Utrecht die van films houden, zo iets. Dankzij kleine data is dat echt makkelijk te doen hoor.”

(wordt vervolgd)