Nieuws: de race voor de tweede plaats

Als er één gevoel is dat een journalist kan inspireren, is het wel de trots na een primeur. Als eerste het nieuws brengen waar iedereen over spreekt, wow.

Het vreemde daarbij is, dat de aard van het gebrachte secundair lijkt. Een ongeluk met een prominente Nederlander, een misstand in de katholieke kerk, een rancuneus verslag van binnenuit een organisatie, een onthullende data-analyse: de aard en de impact van het nieuws is zeer verschillend maar het wow-gevoel is vergelijkbaar.

Boston” heeft andermaal aangetoond dat het soms loont om niet de eerste te zijn. Dat een overhaaste primeur hoogstens een paar minuten “wow” geeft en vervolgens eindeloze schaamte. CNN en de New York Post kunnen erover meepraten.

De journalistiek doet er goed aan het “breken” van niet zelf onderzocht nieuws aan de nieuwe scoop-jagers te laten: zij die social media kanalen gebruiken om hun zogenaamde ooggetuigenverslagen, hun hyperige aandachtsvragen en hun ongeremde speculaties de vrije loop te laten. Dan kunnen journalisten zelf hun krachten sparen voor het werk dat wel relevantie heeft. Hetgeen altijd ná het breken zelf gebeurt.

Het verdient dan ook aanbeveling het woordje nieuws los te koppelen van de veel te brede betekenis die de journalistiek er ook zelf zo graag aan gaf: “alles wat nog niet bekend was“, of “berichten over zaken die kortgeleden gebeurd zijn“. Nieuws in tijden van social media is niet meer van de journalistiek; het wordt tijd dat de journalistiek dat ook zelf beseft. De journalistieke handtekening kan dan ook nooit meer zichtbaar worden uit het simpele feit dat iets als eerste gebracht is. Deze ontstaat pas als het “gebroken feit” van context, geloofwaardigheid en duiding is voorzien. En ja, meestal kost zo iets tijd.

De race voor de tweede plaats mag beginnen.

(bovenstaande gedachten zijn onderdeel van een komende zomer verschijnend boek “Journalistiek na de crisis”)