Regiojournalistiek: strijd niet voor wat er is maar voor wat er kan zijn

“De teloorgang van de regiojournalistiek is een ramp op vele vlakken”, schrijft Michiel de Ruijter op DeNieuweReporter. Aanleiding voor zijn betoog is het aangekondigde banenverlies bij – onder meer – NDC en Wegener. Volgens De Ruijter komen nieuwe spelers (internetsites, lokale bloggers en twitteraars) nog niet in de buurt van de kracht die de traditionele regionale media hebben en is het mede daarom een slag voor de lokale democratie als mediabedrijven zoals Wegener het loodje zouden leggen.

De Ruijter heeft helemaal gelijk als hij schrijft dat de rol van de regionale media (kranten vooral) nog lang niet is overgenomen door de nieuwe spelers. Deze zijn daarvoor simpelweg te klein, hebben te weinig journalistieke slagkracht en zijn nog volop bezig zich (al dan niet samen met hun publiek) überhaupt een positie op dit speelveld te verwerven. En inderdaad is nog steeds heel veel van wat die nieuwe spelers brengen op een of andere manier ontstaan bij die klassieke media. Er is tijd nodig om dat te laten veranderen.

Maar…

De Ruijters analyse ademt ook een beetje de sfeer dat we van 100 naar 0 gaan in 10 seconden.

We moeten niet net doen alsof de traditionele regionale media ooit in 100% van de regionale nieuwspotentie hebben kunnen voorzien. Ook in het verleden bleef er veel meer liggen dan er gecoverd werd. Zelfs in de beste tijden van de regionale journalistiek bereikte daardoor maar een fractie van de relevante informatie de abonnees. Het meeste bleef verborgen, werd niet opgepikt of kon worden ontkend voordat het “nieuws” kon worden.

Voor een deel lag dat aan de beperking van het papier, voor een deel aan de (ook toen) beperkte omvang van de redacties, maar vooral aan de overtuiging bij journalisten zelf dat nieuws pas nieuws kon zijn als het door hun handen was gegaan. De professionele ontkenning dat kennis vooral buiten de journalistieke burchten zat (en dat de journalistieke taak dus minstens zo zeer in de ontsluiting ervan als in het “maken” zelf zat), is met de komst van het internet onhoudbaar gebleken. En toch doen we alsof het verlies van krantenjournalisten ons van de hemel in de hel brengt.

De hemel heeft nooit bestaan en de hel zullen we met z’n allen moeten zien te voorkomen.

Ja, het banenverlies in de krantensector is dramatisch, zowel voor de betrokkenen als voor de nieuwsconsumenten. En het eventueel omvallen van krantenbedrijven is een knoeperharde slag voor de regionale samenleving. My wild guess: deze teloorgang zorgt ervoor dat een lokaal betrokken burger zijn kennisniveau (althans voor zover hij het uit de media haalt) van 5% naar 2% zal zien zakken. Een forse aderlating, hoe je dat ook wendt of keert.

Maar beter dan te proberen te behouden wat er is, zou het zijn om het vizier te richten op wat er zou kunnen zijn. Het is aan iedereen die zich journalist noemt, maar ook aan de maatschappij zelf (ja, de overheid heeft hier een rol in), om dat informatie-aandeel fors omhoog te krijgen. Niet door te strijden voor het vasthouden van die 5% (laat staan voor de instituten die daarvoor nu verantwoordelijk zijn) maar voor de ontwikkeling van structuren die ons uiteindelijk in de richting van 100% gaan brengen.

Ok, laten we realistisch blijven: 50% zou al heel mooi zijn.

(foto denieuwereporter)