Het publiek als veelkoppig monster

“Wat? Meepraten over de inhoud van onze programma’s? Dacht het niet. Ze heten toch niet voor niets luisteraars?” De anekdote komt van de publieke omroep en is niet eens van zo heel lang geleden. Journalisten als zender en het publiek als ontvanger, eeuwenlang was de verhouding compleet helder. Nu niet meer. De tijd dat journalisten het zich konden permitteren de wereld vanuit hun ivoren toren te verslaan, ligt echt achter ons. Het publiek is gaan zenden, de zenders zijn gaan interacteren.

En toch is nog niet elke journalist overtuigd van nut en noodzaak van het raadplegen van het publiek, of het nu is als bron van kennis of als ijkpunt voor het eigen handelen. Harmen Groenhart promoveert vandaag aan de Radboud Universiteit Nijmegen op een onderzoek (pdf) naar de mate waarin journalisten verantwoording (willen) afleggen aan hun publiek. De basis voor Groenharts speurtocht ligt in een vier jaar lange analyse van de gang van zaken bij het Eindhovens Dagblad, dagblad Trouw, Omroep Gelderland en het tv-programma Nieuwsuur. Dat levert heel veel nuttige insights op, maar tegelijk ook de vraag of de uitkomsten heel anders zouden zijn geweest als naast genoemde vier bronnen ook een community-georiënteerd online merk in het onderzoek zou zijn betrokken. Hoe dan ook een mooi startpunt voor het vervolgonderzoek, waar Groenhart ook zelf in zijn nawoord voor pleit.

Opvallend in Groenharts resultaten is de worsteling die veel journalisten ervaren in hun omgang met het “veelkoppig monster” dat het publiek in hun ogen toch is. Aan de ene kant zien ze het nut ervan wel in, maar tegelijkertijd blijft het een partij veeleisende gekken bij elkaar, die je zomaar een paar uur van je werk kunnen houden. Het publiek is gepolariseerd (als iemand iets vindt is er direct weer iemand anders die dat zal ontkrachten) is slechts beperkt in staat zijn beweringen te onderbouwen en ongelofelijk slecht gemanierd. En ja, dat botst met de gemiddelde journalistieke professional, die – zo weet iedereen – rechtlijnig, analytisch en voorkomend is. Hm.

Toch ligt de gebrekkige interactie niet alleen aan dat publiek, zo stelt Groenhart terecht vast. Ook journalisten zelf hebben zo hun beperkingen. Tijdgebrek is er een die ze zelf vaak noemen, maar uit de publieksfocusgroepen die Groenhart interviewde, komt ook het beeld naar boven van journalisten die niet zo best tegen kritiek kunnen. “Ze hebben lange tenen.” Niet onverwacht hebben de ondervraagde journalisten daar zelf wel een verklaring voor. Groenhart: “Respondenten wezen er op dat journalisten eigenwijs moeten zijn, omdat de meervoudige en multi-interpretabele werkelijkheid waarover zij berichten vraagt om enige standvastigheid. Zo bezien is eigenwijsheid een journalistieke deugd, met een defensieve houding als bijwerking.”

Onder aan de streep kan Groenhart concluderen dat – zelfs als journalisten het belang ervan inzien – de gunstige aspecten van dialoog en interactie niet altijd worden benut. “Het gevaar bestaat dat journalisten vanwege hun aannames over de onbruikbaarheid van kritiek, zich ook van de bruikbare delen van kritiek afwenden.”

My 5 cents op basis daarvan: de dialoog tussen journalist en publiek (en daarmee de kwaliteit van de journalistiek zelf) zou enorm gebaat zijn als de vakbroeders wat meer naar de competenties van de communitymanager zouden kijken. Wie in staat is zijn publiek te begrijpen en te activeren, wie zijn publiek serieus neemt, die zal uiteindelijk niet alleen betere producten maken, maar ook een beter “publieksverantwoorde” dienst leveren.

Harmen Groenhart: “Van Boete naar Beloning. Publieksverantwoording als prille journalistieke prioriteit.” Als pdf HIER beschikbaar.