Goed en slecht nieuws: “journalist is vrij”

Wie is journalist? (tekening Mario De Koninck)

De journalistiek is een vrij beroep en elke poging om daar regels aan te verbinden zijn strijdig met het grondrecht op vrijheid van meningsuiting. Het goede nieuws is dat staatssecretaris Dekker dat gisteren nog eens bevestigd heeft. Het slechte nieuws is dat dat blijkbaar weer eens nodig was.

Aanleiding voor Dekkers uitlatingen vormde het pleidooi (pdf) van de Europese High Level Group om in elke EU-land mediaraden te installeren die zouden moeten toezien op goede en slechte journalistiek. Dekker maakte er gisteren (link naar pdf) korte metten mee:

“In het bijzonder zijn we gekant tegen het idee dat een orgaan journalisten hun “status” zou kunnen ontnemen: journalistiek is in Nederland een volledig vrij beroep, en dat moet vooral zo blijven. Vanuit het oogpunt van mediavrijheid vinden we gedwongen zelfregulering zelfs een risico. Het zou een kwaadwillende overheid een extra instrument geven om media in de door haar gewenste (redactionele) richting te sturen.”

Zo is het maar net. Maar nogmaals: eigenlijk zou het niet nodig moeten zijn om dit soort open deuren in te trappen. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld zou het pleidooi van de High Level Group direct als ongrondwettelijk terzijde zijn geschoven. Niet in Europa. In de nasleep van de rapporten van de Britse Commissie-Leveson (die werd opgericht naar aanleiding van schandalen in de tabloid pers) is het blijkbaar niet zo raar om te vragen om mediaraden die op basis van “Europese normen en waarden” kunnen straffen en belonen. De Commissie:

“All EU countries should have independent media councils (…) with real enforcement powers, such as the imposition of fines, orders for printed or broadcast apologies, or removal of journalistic status. The national media councils should follow a set of European‐wide standards and be monitored by the Commission to ensure that they comply with European values.”

Nederland noemt het in zijn reactie aan Brussel onverstandig om de zeggenschap over mediabeleid teveel naar de EU over te hevelen. “Het is aan de lidstaten zelf om vormen van zelfregulering van de journalistiek aan te moedigen die aansluiten bij de noden en wensen in hun land.” Dekker wijst overigens niet het hele rapport van de High Level Group af. Veel van de 30 deeladviezen worden geheel of gedeeltelijk omarmd. Zo onderschrijft Nederland de taak van de EU om overal ter wereld de veiligheid van journalisten te bevechten. Ook is Dekker het eens met de constatering dat journalistieke bronbescherming bij wet geregeld zou moeten zijn.

Een Europees fonds voor bijzondere journalistieke projecten ziet Dekker echter niet zitten, net zo min als de verplichte toevoeging van het vak mediawijsheid op middelbare scholen. Daarnaast ziet hij geen enkel heil in het stimuleren van de pers om over Europese zaken te schrijven. Dekker: “Media moeten hun in vrijheid hun eigen redactionele keuzes kunnen maken.

Volgens de staatssecretaris gaat het in de Nederlandse visie op mediavrijheid en pluralisme in essentie om vier zaken:

1. Afwezigheid van oneigenlijke invloed van overheden, regerende politici, bedrijven en overige belangengroepen op redactionele keuzes van media. Onafhankelijkheid van de media tegenover de staat is hier de crux, maar ook bijvoorbeeld bescherming van journalistieke bronnen.
2. Het creëren van gunstige voorwaarden voor kwaliteit en pluriformiteit in de media. Hier variëren de instrumenten van steun aan een (onafhankelijke!) publieke omroep en fondsen voor journalistiek, tot het tegengaan van eigendomsconcentratie in handen van enkelen.
3. De eigen verantwoordelijkheid van de media om zelf ethische, professionele beginselen hoog te houden, gericht op waarheidsvinding. Eigen transparante gedragscodes zijn in onze opvatting het geëigende middel.
4. Een veeleisend publiek, dat de inhoud van media en de relatie van media met andere “machten” op waarde kan schatten. Opvoeding en onderwijs kunnen hieraan bijdragen.