Journalistiek is een overheidszorg

Het wordt tijd voor een flinke knuppel in het hoenderhok. De knuppel van de overheidssteun in het hoenderhok van de journalistiek. In de kern: een overheid die het goed voor heeft met de maatschappij die ze bedient, zorgt er (ook met geld) voor dat journalistiek er goed kan functioneren.

Dat zit zo:

– Een goed geïnformeerde maatschappij is een voorwaarde voor een goed functionerende democratie.
– Om zo goed mogelijk te kunnen deelnemen aan het democratisch proces, zou iedere burger onbeperkt toegang moeten hebben tot de informatie die hem daarbij helpt.
– Relevante informatie komt van alle kanten, maar de onafhankelijke journalistiek heeft – als ware het de zuurstof voor de democratie – een sleutelrol in die informatiestroom
– Hoe beter de journalistiek, des te beter ook de mogelijkheden voor een burger om zich op de hoogte te stellen van de zaken die voor zijn fununctioneren in de maatschappij van belang zijn
– Een zorgzame overheid garandeert dus niet alleen zaken als stromend water, rechtspraak en onderwijs, maar ook een goede journalistiek.

In de eerste paar weken na het verschijnen van “Na de Deadline” lijkt het hoofdstuk over overheidsbemoeienis het meest controversiële. Voorstanders zijn er genoeg, maar de tegenstanders roeren zich harder. Uit de reacties merk ik dat er diverse redenen voor hun zorgen zijn. De meest in het oog springende:

  1. Afhankelijkheid: de journalistiek moet zich te allen tijde verre houden van overheidsbemoeienis; het aannemen van geld of faciliteiten kweekt vanzelf een onwenselijke afhankelijkheid,
  2. Slecht gedrag beloond: met subsidies aan journalistieke organisaties beloont de overheid het slechte gedrag van die bedrijven: als ze zelf wat innovatiever waren geweest, hadden ze die steun überhaupt niet nodig gehad,
  3. Marktwerking: als de journalistiek het moeilijk heeft, is dat simpelweg het gevolg van marktwerking: een goede krant of tv-zender houdt zijn publiek en adverteerders wel – en als dat niet zo is, is het blijkbaar geen goede krant of tv-zender. En is het onnodig deze te behouden.
  4. Ervaring: de publieke omroep bewijst met weinig relevante entertainmentprogramma’s als “Lingo” en “Boer zoekt vrouw” dat er eerder minder dan meer overheidsgeld naar media moet gaan.
  5. “Iedereen Journalist”: Journalistiek is toch sowieso niet meer nodig nu iedere burger journalistieke activiteiten kan ontplooien?
  6. Definitie: wélke journalistiek, welke journalist moet eigenlijk geholpen worden? Het is niet aan de overheid om een definitie te geven van journalistiek, laat staan op basis daarvan te bepalen wie steun verdient.

Samengevat: overheidssteun voor journalistiek is ondoenlijk en onwenselijk.

De geopperde nadelen zijn zo groot dat weerstand tegen overheidssteun geen verrassing kan zijn. Maar of deze terecht is, laat staan goed te beargumenteren, dat is een heel ander verhaal. Laten we er een-voor-een doorheen lopen.

1. Afhankelijkheid

Hier zijn eigenlijk twee zaken over te zeggen. Meest belangrijk: een goede journalist onderscheidt zich juist van een minder goede door alle eventuele afhankelijkheden transparant te maken en vervolgens zoveel mogelijk buiten te sluiten. Iedere journalist kent beïnvloedingsfactoren: zijn afkomst, zijn opvoeding, de clubs waar hij lid van is, zijn interesses en voorkeuren, de kroeg die hij bezoekt, de verenigingen waar hij lid van is, enzovoort. Zijn publiek heeft er recht op te weten welke van deze factoren een rol spelen bij zijn journalistieke keuzes, zijn afwegingen en uiteindelijk ook de manier waarop hij deze (al dan niet) een rol laat spelen in zijn werk. Dat geldt zowel voor “aangeboren” als voor opgedrongen afhankelijkheden. In die laatste categorie vallen ook commerciële invloeden zoals van adverteerders of sponsoren. De overheid zou in dat verband als sponsor gezien kunnen worden, maar een externe geldschieter (een weldoener of grote investeerder) kan diezelfde positie hebben. Bottom line is dus dat een journalist te allen tijde zelf in staat zou moeten zijn afhankelijkheden onschadelijk te maken. Wie dat niet kan, zou die zichzelf eigenlijk wel journalist mogen noemen? Tweede punt dat rondom het risico van afhankelijkheid te maken is, is de mogelijkheid om het via afspraken te neutraliseren. Dat dat kan, blijkt wel uit de manier waarop momenteel de redactie van de NOS in staat blijkt overheidsonafhankelijke nieuwsproducten te maken. Maar tevens valt te denken aan een “vertaling” van het aloude redactiestatuut. Als zo’n statuut kan werken om de commerciële invloeden buiten te sluiten, zou het ook een onwenselijke overheidsbemoeienis moeten kunnen opheffen.

2. Slecht gedrag beloond

Er is een fundamenteel maar soms uit het oog verloren verschil tussen journalistiek (de activiteit die informatie openbaart, duidt, filtert, onthult, etc) en de manier waarop journalistiek momenteel georganiseerd is (de uitgeverijen, zendgemachtigden, etc). Het met overheidssteun in stand houden van slecht presterende, slecht renderende en slecht kiezende mediabedrijven is inderdaad geen goed idee. Vandaar ook dat overheidssteun niet ten goede zou moeten komen aan bedrijven, maar aan producties en activiteiten. In mijn boek noem en onderbouw ik zeven manieren waarop dat georganiseerd zou kunnen worden. Er zijn er vast nog wel meer te bedenken. Allemaal zorgen ze ervoor dat de burger geholpen wordt met goede journalistiek, in plaats van dat de manier waarop journalistiek momenteel is georganiseerd die steun krijgt.

3. Marktwerking

De bedrijfseconomische benadering benadrukt dat iets pas een bepaalde waarde heeft als de doelgroep daar via een betalingsopdracht ook daadwerkelijk die waarde aan toekent. Producten of diensten waarvoor niet (of niet voldoende) betaald wordt, zijn blijkbaar onvoldoende waardevol. Een helder standpunt, dat echter zelfs in een afkalvende verzorgingsstaat nooit volledig tot uitvoer kan komen. Er zijn in een democratische samenleving altijd bepaalde zaken die we niet aan de markt willen overlaten. Zelfs de meest liberale regering accepteert dat zaken als rechtspraak, veiligheid, onderwijs en gezondheidszorg geheel of gedeeltelijk door de overheid beheerd mogen worden. Een overheid die – op rijks-, provincie- en gemeenteniveau – claimt dat de burger zo volledig en onafhankelijk mogelijk geïnformeerd moet worden (wat ook in Nederland het geval is), doet er dus goed aan dat niet selectief voor radio en tv te vertalen in de aanwezigheid van een publieke omroep, maar daar fundamentelere afspraken over te maken.

4. Ervaring

Er zijn niet alleen voorbeelden uit het verleden te vinden, maar zeker ook scenario’s voor de toekomst te bedenken die tot de conclusie leiden dat overheidssteun voor media niet altijd even doelmatig is. Hoe beter die voorbeelden in kaart worden gebracht, des te makkelijker het wordt er afstand van te nemen.

5. “Iedereen Journalist”

Het feit dat uitgevers en journalisten hun monopolie zijn kwijtgeraakt over techniek, productie en distributie van kennis en informatie, heeft geleid tot de vaststelling dat iedereen tegenwoordig journalist is. Immers, een smartphone is voldoende om de activiteit te ontplooien waarvoor vroeger een drukpers en een batterij vrachtwagens of een ingewikkelde zendinstallatie en -machtiging voor nodig was. Hoewel dat technisch gezien juist is en hoewel ook grondwettelijk iedere burger op basis van de vrijheid van meningsuiting journalistieke activiteiten mag ontplooien, is de gevoltrekking “iedereen is journalist” een enorme misvatting. Ja, iedereen die dat wil kan uitgever zijn, maar voor “pure” journalistiek (gericht op het openbaren, duiden, filteren, onthullen en aantrekkelijk aanbieden van voorheen verborgen informatie) is meer nodig dan een iPhone. Een journalist onderscheidt zich met zijn houding en vaardigheden van niet-journalisten. Juist in een tijd dat informatie dankzij al die burger-uitgevers overvloedig aanwezig is, kan een journalist een maatschappelijk relevante rol spelen. Dat dat op een andere manier moet gebeuren dan voorheen, is ook helder: hoe kan het anders als je in twee decennia tijd bent opgeschoven van een positie als “kraan in een woestijn” naar “kraan in de oceaan”.

6. Definitie

De journalistiek – laat staan een journalist – is lastig te vangen in definities zoals die voor een arts, een advocaat of een notaris gelden. Dat heeft alles te maken met de uitzonderlijke combinatie van benodigde vaardigheden en grondwettelijke bescherming (vrijheid van meningsuiting) die de journalistiek omvat. Een overheid die via keurmerken of registers wil bepalen wie zich al dan niet journalist mag noemen (met de bedoeling daar bepaalde rechten aan te koppelen), moet hoe dan ook sterk gewantrouwd worden. Maar dat hoeft nog niet te betekenen dat je geen kenmerken kunt koppelen aan “puur” journalistiek gedrag en journalistieke diensten of producties. In mijn boek kom ik, op basis van de analyse van een veelvoud aan definitiepogingen uit de literatuur, tot een lijst van dit soort aspecten. Met als conclusie dat de “puurheid” van de journalistieke activiteit toeneemt naar mate meer kenmerken zichtbaar zijn. Het is geen makkelijke exercitie en het is zeker geen wiskundige: 100% helderheid krijg je er nu eenmaal niet mee. Maar de lijst toont wel aan dat eventuele overheidssteun gekoppeld kan worden aan de manier waarop de journalistieke activiteit wordt (of is) uitgevoerd. Dat laat onverlet dat journalistiek in veel gedaanten komt. De commentator bij een voetbalwedstrijd is journalist, de jongste bediende van het roddelblad is journalist, de camjo op de rode loper bij de première van James Bond is journalist en de fotograaf die met 36 collega’s een plaatje schiet van het nieuwe kabinet op het bordes bij de koningin is journalist. Net zoals de auteur van de doorwrochte analyse van ons pensioenstelsel, de kogels ontwijkende oorlogscorrespondent in Damascus, de verslaggever bij de gemeenteraad van Bergeijk of de rechtbank van Leeuwarden en de persoon die jaren onderzoek doet naar misstanden in de bankensector journalisten zijn. Sterker nog, wie de ene dag tegels licht, kan de volgende dag vol aan het entertainen zijn. Vandaar ook dat het zo belangrijk is je niet te richten op de persoon of zijn platform, laat staan de organisatie waarvoor hij werkt, maar slechts op diens journalistieke activiteit.

Kortom:

In haar meest pure vorm is journalistiek er om de maatschappij te informeren over alles wat voor haar burgers van belang is. En daarmee is pure journalistiek een overheidszorg van jewelste.

(Een verdere uitwerking van dit thema is terug te vinden in hoofdstukken 6 en 7 van “Na de Deadline”, te bestellen via uitgever Fast Moving Targets: http://fastmovingtargets.nl/products/)