De Goudmijn van de Sociale Media

Fontys Hogescholen is dit jaar voor de vijfde keer officieel partner van het Erasmusfestival dat iedere twee jaar in Den Bosch wordt gehouden. Onderdeel van het festival – dit jaar met het thema De Week van de Democratie – is een debattenreeks op verschillende locaties in Den Bosch en daarbuiten.

Het debat “Sociale media: verrijking van politiek en journalistiek?” vond plaats op 12 november bij Fontys Hogeschool Journalistiek in Tilburg. Meer informatie over het debat waarin Jaap Stronks, Chris Aalberts en ondergetekende bespreken welke invloed sociale media nu eigenlijk hebben op de maatschappelijke discussie en informatievoorziening, vind je HIER.

Tijdens het debat legde ik de 92 aanwezigen de vraag voor of twitter een zorg of een zegen is voor de journalistiek. Hieronder de uitslag. LET OP: dit is niet wetenschappelijk. De doelgroep was het min of meer toevallig aanwezige publiek tijdens het debat. Onder de aanwezigen vooral studenten journalistiek.

In het Brabants Dagblad mocht ik vorige week al mijn duit in het zakje doen. Hieronder de integrale tekst uit de krant:

Het uiterlijk van de krant die u nu leest heeft ogenschijnlijk nog veel weg van het product dat bij uw betovergrootouders op de mat viel. Actuele teksten en beelden, gedrukt op papier en in een dagelijkse frequentie verspreid onder een in regionale informatie geïnteresseerd publiek. Goed, het formaat mag tegenwoordig anders zijn, de foto’s hebben kleur gekregen, het taalgebruik is onvergelijkbaar en de kwaliteit van de journalistiek is – voor zover meetbaar – enkele stappen verder.

Maar toch: het blijft een krant. Dagelijks bezorgde informatie op papier. Wat u echter aan deze “dode boom” niet kunt aflezen, is dat het proces van nieuwsgaring, -verwerking en -verspreiding dat erachter zit, de laatste jaren compleet op zijn kop is gezet.

Het heeft natuurlijk alles te maken met de revolutie die internet heet. Die heeft, zoals we allemaal op elk moment van de dag merken, de hele maatschappij op haar kop gezet. Vertegenwoordigers van de journalistiek – het ambacht dat tot doel heeft relevante informatie te vergaren, verwerken en verspreiden – voelen zich niet alleen grootgebruiker, maar ook lijdend voorwerp van die ontwikkeling.

Wat dat laatste betreft: door de allesoverheersende invloed van het internet is de journalistiek haar vermeende monopolie op informatie keihard kwijtgeraakt. Datzelfde geldt voor de aloude monopolies op productie, verspreiding en techniek; ze zijn allemaal verdwenen. Het vergaren, maken, becommentariëren en publiceren van relevant nieuws is in technische en functionele zin gedemocratiseerd. Iedereen is ooggetuige, iedereen maakt nieuws mee, iedereen is publicist. De smartphone is fototoestel, typmachine, drukpers, vrachtauto en krantenjongen in één.

Dat maakt het voor de journalistiek lastiger – en noodzakelijker – zich te onderscheiden. Maar hoe vreemd dat ook klinkt, dit ogenschijnlijk nadeel is in werkelijkheid een goed vermomd voordeel. Nooit was informatie beter bereikbaar dan nu, maar ook nooit was de behoefte aan een baken in die overvloed belangrijker dan nu.

De journalist heeft zijn positie in de ivoren zendtoren verlaten, de journalistiek is interactief geworden. Het resultaat van een journalistieke operatie neemt toe naarmate de journalist zich in alle stadia van zijn werkproces openstelt voor relevante kennis van buiten. De basislogica van het internet (digitale verspreiding van informatie, zonder onderscheid tussen producenten en consumenten) faciliteert dit. Sociale media (twitter, facebook en andere diensten die het semi-openbaar uitwisselen van informatie faciliteren) hebben dat extreem vergemakkelijkt.

Daarmee zijn de sociale media een goudmijn voor de journalist met het juiste gereedschap. En is zijn vak een no-go-area voor degene die die goudmijn weigert te gebruiken. Wie zijn vingers niet wil branden aan de middelen die de uitoefening van het vak de laatste jaren enorm hebben geholpen, wie het cadeautje van de social media (letterlijk het beste dat de journalistiek de laatste twintig jaar is overkomen) bewust afslaat, heeft in dit vak weinig meer te zoeken. Hij zegt namelijk willens en wetens niet alles te willen aanwenden om het doel van al zijn werk – een goed geïnformeerde maatschappij – te helpen bewerkstelligen. Zo’n houding is interessant voor het rariteitenkabinet, misschien zelfs leuk voor een speciale dag voor oude ambachten, maar onwenselijk voor zijn publiek, de journalistiek, zijn werkgever en de maatschappij.

Niet alles wat zich op de sociale media afspeelt is even interessant. Integendeel, net als in de “echte” wereld is er meer kaf dan koren. Maar het grote voordeel voor een journalist is dat áls er iets relevants gebeurt, hij zeker weet dat het ergens op de sociale media zichtbaar wordt. En het hem dus direct moet kunnen vinden. Waarna zijn aloude journalistieke handwerk (checken, verfraaien, aanvullen, etc) kan beginnen.

De journalistiek is langzaamaan meer een proces dan een product geworden. Het proces van informatie stapelen: je hebt zelf een brok informatie, je haalt iets uit je publiek, dat vul je weer aan en vervolgens laat je het weer verbeteren door anderen. Dat proces moet georganiseerd worden. En daar zullen journalisten zich meer in moeten specialiseren dan voorheen.

Om optimaal van dat “cadeautje” gebruik te kunnen maken, zal iedere journalist dus constant zijn specifieke filters moeten loslaten op het gebodene. Zodat hij wel direct ziet dat er een voor zijn medium interessant incident plaatsvindt maar niet wordt lastiggevallen met de menukaart van een onbekende. Zodat hij zich laat waarschuwen als hij op een verkeerd spoor zit, zich laat helpen als zijn informatie onvolledig is. En hij op heel natuurlijke wijze een tien keer zo groot netwerk kan beheren – en activeren – dan ooit mogelijk is geweest.

En die krant? Ach, die blijft zolang er mensen zijn die ‘m willen betalen. Maar achter de papieren schermen is de journalistiek zelf al klaar voor het vervolg. Mede dankzij het cadeautje van de sociale media.