Overheid en journalistiek: Limburg geeft het voorbeeld

Wie op zoek is naar voorbeelden voor een zinvolle verhouding tussen journalistiek en overheid, doet er goed aan de komende tijd scherp naar Limburg te kijken. Die provincie geeft er met een nieuw “strategisch kader” namelijk blijk van precies te snappen wat er nodig is voor een open, vitale samenleving waarin een pluriform media-aanbod is gegarandeerd.

Natuurlijk is niet elk detail in het 12 pagina’s tellende document “Limburgs medialandschap in beweging” perfect. Maar de uitgangspunten deugen en de richting die gezocht wordt is zowel realistisch als ambitieus te noemen. Het stuk komt op 6 december in de commissie Cultuur, Welzijn en Leefbaarheid, waar gedeputeerde Peter van Dijk het zal verdedigen. Het document is des te opvallender, omdat de behandeling ervan vrijwel samenvalt met de bespreking van de persbrief en de mediabegroting van staatssecretaris Sander Dekker. Hoewel beide stukken dezelfde materie behandelen, konden de verschillen in de uitwerking bijna niet groter zijn. Dekker is lijdzaam en hanteert de kaasschaaf, Van Dijk toont visie en steekt zijn nek uit.

En dan gaat het niet in de eerste plaats over al dan niet beschikbare financiën. Het “nieuws” dat tot op heden uit dit stuk doorsijpelde, focust vooral op de laatste alinea, waarin een budget van een miljoen euro wordt aangekondigd voor een Limburgs mediafonds. Dat geld is natuurlijk niet onbelangrijk, maar staat in geen verhouding tot het belang van de uitgangspunten voor dat fonds.

Terecht vindt Limburg dat een goed geïnformeerde maatschappij een voorwaarde is voor een goed functionerende democratie. En logischerwijs dicht de provincie zichzelf daarbij een essentiële rol toe. Ze doet dat, heel netjes, vanuit het besef dat een inhoudelijke inmenging in het bijbehorende journalistieke speelveld onwenselijk is. Maar tegelijk ook vanuit de overtuiging dat een rol als regisseur des te belangrijker is. Niet alleen omdat de markt het op dit moment meer en meer laat afweten, maar ook vanwege een intrinsieke taak die een overheid zou moeten hebben bij alles dat het democratisch proces kan bevorderen.

In het Limburgse beleidsstuk worden zowel de markt als de competenties die nodig zijn om haar te bedienen, helder neergezet. Het teruglopende bereik van oude media, de toetreding van nieuwe spelers (van binnen en buiten de traditionele hoek), de chaotisch informatiestromen, de mogelijke rol van maatschappelijke organisaties en het benodigde journalistieke vakmanschap, het komt allemaal aan de orde. Om vervolgens drie uitgangspunten te benoemen voor de organisatievorm van dit alles:

  • Digital only. Het is even diep ademhalen, maar de sprong moet gewaagd. Substantiële kostenbesparingen en geheel nieuwe vormen van samenwerking zijn alleen haalbaar in een volledig digitale productieomgeving. Het duurde te lang voordat ‘digital’ tot het journalistieke vocabulaire ging behoren en het huidige ‘digital first’ is nog te aarzelend en te zeer een opportunistisch compromis. Echt, aanbreien kan niet meer.
  • Regionaal. De haalkansen zijn sterk verbonden met de keuze voor een adequate schaalgrootte. Niet de provincie, niet de gemeente, maar de sociaaleconomisch en cultureel samenhangende regio biedt voldoende cohesie om blijvend een vitale communicatievoorziening te schragen. Voor Limburg kan dit inhouden dat per subregio’s activiteiten worden geïnitieerd. Ook de service kan bovenregionaal geregeld, maar inhoudelijk / programmatisch moeten mensen –en dan van jong tot oud- betrokkenheid hebben tot, economische binding met ‘hun’ gebied, anders gaat het niet lukken.
  • Public/private. Hoewel internet in essentie een private en globale infrastructuur is, blijft er een belangrijke rol voor publieke overheden. Alleen anders dan in de historisch gegroeide rolverdeling waarin (even een paar grote stappen) de pers met rust wordt gelaten en de omroep omklemd. De deling van verantwoordelijkheden ligt bij mediacentra op een andere dimensie: overheden die zich inzetten voor de dragende infrastructuur en randvoorwaarden, en private partijen, media voorop, die eerstverantwoordelijk zijn voor inhoud, voor de content.”

Dat zijn uitgangspunten die niet alleen logisch en belangrijk zijn, maar tevens verder gaan dan wat menig commercieel of publiek mediabedrijf momenteel laat zien.

Zoals altijd zal veel afhangen van de bereidheid bij de betrokkenen om, zoals hierboven aangegeven, “diep adem te halen en de sprong te wagen“. Op de eerste plaats de politiek natuurlijk, maar direct daarna ook de andere stakeholders. Volwaardige deelname van MGL en L1 als grootste Limburgse mediaorganisaties voorop, maar ook commitment van nieuwe mediapartijen, het bedrijfsleven, kennisinstellingen, bibliotheken en – het allerbelangrijkste – een participerend publiek, is daarbij essentieel.

Juist om die reden is één alinea in het Limburgse stuk nogal teleurstellend. Het besef dat er heel wat durf nodig is om de noodzakelijke stappen te zetten, heeft Van Dijk er waarschijnlijk toe gebracht vooraf al veel te veel reserves in te bouwen. Hij heeft het over “een delicaat proces” waarbinnen “de haalbaarheid van een mediaplatform moet worden onderzocht”, en het “voorstelbaar” is dat er “doorlopende leerlijnen, shared facilities en een shared back office” in beeld komen. Inderdaad, politieke eieren kunnen snel breken. En de term “break it before someone else does” lijkt ook niet bepaald uitgevonden in de media-industrie. Maar wie de eierdoos vooraf al probeert te omzeilen zal nooit een lekkere omelet kunnen bakken.

De zorgelijke staat van de media is in Limburg niet anders dan in de rest van het land. Maar anders dan elders ligt hier nu wel een concrete kans op verbetering. Daarom is Limburg op dit moment gebaat met dapperheid. De eieren moeten kapot, uit eigen belang én dat van de rest van het land.