Kees Buijs: de Nederlandse Nikki Usher

Elke week verschijnt er wel ergens een onderzoek of boek over de toestand van de media en de toekomst van de journalistiek. Een van de hoogtepunten van dit jaar op dat vlak is zonder meer Nikki Ushers “Making News at the New York Times“. Zij dompelde zichzelf maandenlang onder op de redactie van de NYT; volgde de gesprekken, zat aan bij de belangrijkste vergaderingen en zag hoe journalistieke verhalen zich ontwikkelden. Het resultaat van haar onderzoek is – terecht – omschreven als de etnografie van een nieuwsorganisatie. Dat klinkt heel zwaar, maar het mooie is dat Ushers boek ook nog eens leest als een spannend verslag, met volop aandacht voor de rol van de hoofdpersonen. (recensie)

Vanaf deze week heeft Nederland zijn eigen Nikki Usher. Hij heet Kees Buijs en promoveert donderdag op een onderzoek naar de kwaliteit van het redactieproces in de regionale journalistiek. Een belangrijk onderzoek, dat een (veelal ontluisterend) beeld schetst van de staat van de Nederlandse regiojournalistiek. Buijs heeft, net als Usher, voor zijn onderzoek maandenlang gebivakkeerd op de redactievloeren. In zijn geval: die van de regioredacties in Oss en Tilburg (beide Brabants Dagblad) en Arnhem (De Gelderlander). Hij luisterde er, stelde vragen, maakte mentale foto’s en drong door tot het hart van de redactionele processen.

Net als bij Usher eerder, leidt die methode ook bij Kees Buijs tot een etnografisch beeld van de regels, de structuren, de besluitvorming, kortom de dagelijkse praktijk op een editieredactie. Op het klinische af geeft Buijs de gesprekken op de redactievloer weer en bekijkt hoe alle gevonden elementen uiteindelijk optellen tot de inhoud van de krant. “Arme abonnees”, schiet er geregeld door het hoofd van de lezer van Buijs’ boek. Arme abonnees, omdat ze geen weet hebben van de vaak ronduit knullige totstandkoming van hun krant. Arme abonnees, omdat ze in alle gevallen minder krijgen dan ze zouden mogen verwachten.

Er zijn weinig details die Buijs zijn ontgaan in zijn zoektocht. De promovendus is op zijn best als hij simpelweg beschrijft wat hij ziet en hoort en het soms voor de hand liggende oordeel daarover aan zijn lezers laat. Het scherpst (en hardst in zijn oordeel) is hij bij het vaststellen van de verschillen tussen theorie (een hoofdredactioneel stuk, een geldende afspraak, een zelf opgelegd doel) en dagelijkse praktijk. In de kern: waar de redacties de mond vol hebben van aandacht voor de lezer, houden ze die in het echte werk vooral op grote afstand. En waar hoog wordt opgegeven over het belang van de collectieve redactionele kennis en crossmediale mogelijkheden, is daar in de praktijk weinig van te merken. Buijs bezondigt zich er niet aan, maar cynisme ligt op de loer: iedere journalist in Buijs’ boek zegt in te zien dat de wereld is veranderd en dat er dus vernieuwd moet worden – om zichzelf vervolgens gewoon weer in het aloude, industriële productieproces te verliezen.

De manier waarop Kees Buijs dat opschrijft is een lust voor elk journalistiek hart, maar het maakt de boodschap niet minder verdrietig.  Een groep alleszins verstandige mensen blijkt niet in staat hun intelligentie om te zetten in hoognodige strategische keuzes. De visie is er wel, maar de tredmolen van de gewoonte wint het op alle fronten. Zij die zich aanpassen, overleven, wist Darwin al. En wie zegt zich te willen aanpassen maar daar niet in slaagt, heeft een probleem, weten we sinds Gary Larson (The Far Side) de cartoon hiernaast maakte: “The picture is pretty bleak gentlemen… The world’s climates are changing, the mammals are taking over, and we all have a brain the size of a walnut.” Onmacht.

Twee vragen die bij lezing van Nikki Usher bleven hangen, komen ook bij Buijs opzetten:

1. hoe “uniek” zijn de gevonden gegevens? Dat het er zo aan toe gaat bij de New York Times, wil nog niet zeggen dat het overal zo is. Zijn drie regioredacties van Het Brabants Dagblad en De Gelderlander exemplarisch voor het Nederlandse speelveld?

2. is er niet zoveel tijd verstreken tussen de periode van het onderzoek en nu, dat de gevonden resultaten al weer achterhaald kunnen zijn?

Beide vragen zijn vanzelfsprekend niet direct te beantwoorden en het is dan ook vooral spannend om te zien hoe we over pakweg 25 jaar op deze tijd terugkijken. Moeten we dan constateren dat onze dino-breinen inderdaad niet groot genoeg waren om de geconstateerde verandering in omstandigheden bijtijds om te zetten naar succesvolle gedaantewijziging? Of zijn we uiteindelijk wel in staat gebleken om onszelf uit de modder omhoog te trekken, al dan niet in mediaorganisaties zoals we die nu kennen?

Om dat laatste te bereiken doen alle betrokkenen er alvast goed aan Buijs’ onderzoek heel goed tot zich te laten doordringen. Natuurlijk zal er alle reden zijn om te roepen dat de redactie in Oss, Arnhem of Tilburg anders is dan die in pakweg Zwolle, Middelburg of Alkmaar. Maar wie goed wil kijken, zal zien dat er vooral veel overeenkomsten zijn. Precies dat is de grote waarde van Buijs’ promotieonderzoek.

Kees Buijs promoveert donderdag 30 oktober aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Het resultaat van zijn onderzoek is in boekvorm verkrijgbaar bij Boom Lemma Uitgevers.

NAWOORD KEES BUIJS:

Beide vragen die Bart stelt, beantwoord ik in het slothoofdstuk van mijn proefschrift.
1. De resultaten van het onderzoek naar het redactieproces op editieredacties van het Brabants Dagblad en De Gelderlander kunnen niet in alle opzichten worden doorgetrokken naar editieredacties van andere regionale dagbladen binnen en buiten het Wegenerconcern. Toch mogen we zeggen dat de dynamiek op deze redacties die van de regiojournalistiek in Nederland weerspiegelt: de economische ontwikkeling, eigendomsverhoudingen, crossmediale productie, de relatie tot lokale en regionale bronnen en een mondiger publiek met een sterk veranderend nieuwsgebruik. En waar journalisten ook werken, ze zijn gesocialiseerd in dezelfde normen, beginselen en praktijken. Mijn antwoord lijkt sterk op dat wat David Ryfe gaf na zijn etnografisch onderzoek op de redacties van drie regionale dagbladen in de Verenigde Staten. Lees zijn ‘Can journalism survive?
2. Bart heeft gelijk dat de resultaten in sommige opzichten achterhaald zijn. Vaker dan een paar jaar geleden gaan editieredacteuren op locatie om verslag te doen van wat mensen in stad en regio bezig houdt (maar wel in aparte rubrieken!). Bij De Gelderlander moet een centrale digidesk de crossmediale productie verbeteren. Maar de focus van mijn onderzoek was niet gericht op concrete keuzes en oplossingen. Het gaat primair om het zichtbaar maken van structuren, spanningen en dilemma’s in het redactieproces. Deze structuren en spanningen zijn allerminst achterhaald, aangezien ze sterk zijn verbonden met een journalistieke cultuur, professionele waarden en routines.