RMO legt fundamenten, maar vergeet huis te bouwen

Op verzoek van staatssecretaris Sander Dekker voor Media heeft de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) het afgelopen half jaar gekeken naar de stand van de journalistiek in Nederland. Dit onder meer om een antwoord te vinden op de vraag of de overheid de journalistiek op een andere manier zou moeten steunen dan nu het geval is.

Vooropgesteld: het is zeker geen onzin wat de RMO te melden heeft. Integendeel, de brief aan de staatssecretaris staat vol verstandige constateringen. Meest belangrijk is misschien wel de bottom line dat de journalistiek in het tijdperk van informatie-overvloed een probleem van jewelste heeft. Ook heeft de RMO enkele zinnige opmerkingen in bijzinnen, die je met een beetje goede wil als deeladviezen zou kunnen interpreteren.

Zo is het een geweldig idee om alle met overheidssteun bekostigde informatie onbeperkt beschikbaar te stellen voor andere journalistieke platforms. Het is iets waar bijvoorbeeld NDP Nieuwsmedia al jaren terecht voor strijdt. Vertaald naar de huidige situatie: de NOS (die niet door de RMO wordt genoemd) zou dan alle ruwe videobestanden toegankelijk moeten maken voor andere nieuwsmedia, zodat deze daar hun eigen berichtgeving uit kunnen destilleren.

Maar de RMO heeft grote moeite om een keuze te maken; om de consequenties te aanvaarden van zijn constateringen. Daardoor komt de ene kant van de medaille (noem het de eigen verantwoordelijkheid van de commercieel opererende journalistiek) maar niet in balans met die andere kant (overheidsingrijpen om de democratische functie van de journalistiek te waarborgen). En uiteindelijk leidt dat – helaas – tot een halfslachtig resultaat.

Zo signaleert de RMO “verschillende ontwikkelingen” die ertoe leiden dat sommige media steeds minder capaciteit hebben om hun publieke functies uit te oefenen en “uitholling van bestaande verdienmodellen holt de kwaliteit van de journalistiek uit”. Om direct daarna te constateren dat de overheid hier een rol zou kunnen spelen “door middelen ter beschikking te stellen voor onafhankelijke onderzoeksjournalistiek daar waar zich lacunes voordoen.” Maar – en nou komt het – “hiervoor is het eerst nodig deze lacunes systematisch in kaart te brengen.” En dan:

Als uit onafhankelijk onderzoek blijkt dat het journalistieke landschap in dit opzicht zwakke plekken vertoont, kan de overheid overwegen te handelen.”

Als….

kan….

overwegen….

Blijkbaar heeft de angst om de vingers te branden aan een beladen onderwerp de RMO in haar greep gekregen. En dat is doodzonde. Het zou niet meer dan logisch zijn geweest die vervolgstap (of toch tenminste een aanzet daartoe) ook ter hand te nemen. En nog goed uitvoerbaar ook. Er is inmiddels zoveel over het journalistieke falen geschreven (ook op wetenschappelijk niveau) dat de terughoudendheid in de RMO-brief hierover nogal potsierlijk is.

De RMO heeft, kortom, een deugdelijk zij het niet al te verrassend fundament gelegd, maar heeft verzuimd daar een huis op te bouwen. De journalistiek kan hier niet in wonen; Sander Dekker evenmin.