Overheid en Journalistiek met een schone lei

Historisch gezien is de betrokkenheid van de overheid in onze journalistiek – zoals via haar steun voor nationale en regionale omroepen – verklaarbaar. Maar is deze vorm van betrokkenheid in het huidige medialandschap nog wel te legitimeren? De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) vindt de manier waarop de overheid zich nu in de journalistiek mengt merkwaardig en schreef er een rapport over. Gevolgd door een debat op 5 februari met een gedachte-experiment: wat als we nu met een schone lei mochten beginnen? Welke rol zou er dan voor de overheid zijn weggelegd? Wat wordt dan overgenomen door de markt of zelfs door individuele burgers? En wat zegt dat uiteindelijk over de huidige invloed van de overheid op de journalistiek?

Hieronder mijn bijdrage aan het debat in De Balie.

Een schone lei is een onhaalbare lei. Want krachten in het spectrum tussen gesubsidieerden en subsidieverstrekkers zorgen er voor dat het bestaande hoogstens fractioneel kan veranderen.

Maar goed – een schone lei dus. We willen allemaal wel eens een <vlaams> “schone droom” <\vlaams>. Een lei van 10 punten.

1. Een schone lei is een bedrijfskundig verantwoorde lei. Een lei waarin vraag en aanbod in balans zijn. Een lei zonder moedwillige marktverstoring of kunstmatige overproductie.

Geen vol op bereik en advertentie-omzet concurrerende Publieke Omroep; geen door de belastingbetaler gefinancierde Boer Zoekt Vrouw of Lingo.

2. Een schone lei kent wel een stimulerende maar geen beperkende overheid. Met een bonus op samenwerking in plaats van een verbod op vermenging.

Steun voor die onderdelen die nu tussen de wielen raken of het verdienen door de maatschappij gekoesterd te worden. Met de uitnodiging om dat wat publiek is te koppelen aan dat wat commercieel is. Zodat het geïnteresseerde publiek zo goed mogelijk wordt gevonden.

3. In een schone lei zorgt de overheid, in het belang van de maatschappij, voor een journalistiek vangnet in plaats van een knellend keurslijf. Een overheid die faciliteert wat de markt zelf niet aan kan in plaats van een overheid die stimuleert wat geen steun behoeft.

De overheid is op z’n best als deze beschermt wat bedreigd wordt, op basis van de breed gedeelde maatschappelijke behoefte, waarbinnen onafhankelijke journalistiek net zo belangrijk is als stromend water, rechtspraak en onderwijs.

4. In een schone lei is er erkenning voor het enorme belang van onafhankelijk journalistiek onderzoek voor de informatiebehoefte van de burger en is onderzoeksjournalistiek dus een vanzelfsprekende kans in plaats van een onaanvaardbaar ondernemersrisico.

We dreigen naar een situatie te gaan waarin het schrappen van onderzoeksjournalistiek het meest voor de hand liggende bezuinigingsmiddel is. Het is in het belang van de democratie dat proces te stoppen. De overheid heeft daar een taak.

5. Een schone lei is consequent op landelijk, regionaal en lokaal niveau.

Lokale onderzoeksjournalistiek is net zo belangrijk als landelijke. En wie controleert de provincie?

6. Een schone lei kijkt naar gebruikers in plaats van organisaties of platforms

Nog los van hoe je over de publieke omroep denkt, het is hoe dan ook lastig te beargumenteren dat er blijkbaar wel iets op radio en tv nodig is maar niet in print. Dus: kijk naar de informatiebehoefte van de Nederlander. Niet de gemiddelde Nederlander, maar de optelsom van Nederlandse individuen. En faciliteer als overheid vooral dat wat de commerciële partijen niet kunnen of willen doen en doe dat via de platforms waarop deze Nederlanders actief zijn.

7. In een schone lei zijn de NOS en de regionale omroepen kansrijke commerciële nieuwsbedrijven die op alle denkbare platforms actief zijn. En zijn er onafhankelijke programmamakers die – eveneens op alle denkbare platforms – de vrijheid en de middelen krijgen om al die maatschappelijk relevante informatieve producten te leveren die de markt laat liggen.

De huidige omroeporganisaties hoeven echt niet te verdwijnen. Maar ze moeten wel hun eigen broek ophouden, op basis van zelf te kiezen verdienmodellen en ze moeten dus vol kunnen meeconcurreren met de commerciële organisaties. Ze hebben geen monopolie meer op “publieke programma’s”, want die kunnen overal landen.

8. In een schone lei hebben de dagbladuitgevers het juk van de beperkende wet en regelgeving van zich afgeschud – en zijn dus net als de NOS op alle platforms en met alle denkbare producten actief.

Of ze nu tv willen maken of een rtv-programmaboekje willen publiceren, de wet mag dat niet in de weg staan.

9. In een schone lei is er voor elke niche een interessante nieuwkomer en is techniek een enabler in plaats van een beperker.

Vroeger was er een drukpers of een broadcaststraat nodig om als uitgever een publiek te vinden. Nu volstaat een smartphone. Dat betekent dat er meer ruimte dan ooit is voor nieuwe initiatieven, zelfs in de allerkleinste niches. Die ruimte moeten we niet inperken maar zodanig ontsluiten, dat we er zeker van zijn dat elk mogelijk talent er gebruik van kan maken. De overheid faciliteert, de markt vult in.

10. In een schone lei is het een free for all waarbij commerciële en inhoudelijke keuzes het profiel van de spelers bepalen – in plaats van wet- en regelgeving.

Ieder medium heeft zijn eigen kwaliteitsdefinitie. Hoe meer verschillen, des te beter de democratie wordt gediend. Laten we elkaar dus niet gek maken met beroeps- of sector-regels die tot doel hebben “onze wereld” tegen indringers te beschermen. De staatscourant heeft een ander publiek dan Geenstijl.

Maar ja, ik weet het, een schone lei is een illusie. Dat ligt trouwens echt niet alleen aan de overheid of aan de publieke omroepen. Het ligt aan alle belanghebbenden. Ze houden zichzelf en elkaar in een houdgreep die weliswaar knelt maar tegelijkertijd voor te veel betrokkenen te veel voordelen kent.