En wat doen we met En wat doen we online…?

Klaske Tameling bij de presentatie van haar onderzoek

“En wat doen we online?”

Een week geleden presenteerde Klaske Tameling onder die titel het boek met haar promotieonderzoek. Tameling beschrijft scherp en gedetaillerd de gang van zaken op de redacties van Volkskrant, NOS en FD. En kan na maanden onderzoek op locatie niet om de conclusie heen dat het nog altijd draait om de traditionele primaire processen: krant en tv zijn dwingender en belangrijker dan alles wat online gebeurt. Het zijn de oude routines en de herinneringen aan wat vroeger zo succesvol was die de verzamelde redacteuren blokkeren.

Tamelings onderzoek sluit mooi aan bij hetgeen Kees Buijs vorig jaar vaststelde. Hij keek vooral naar de kwaliteit van de journalistiek en moest – net als Tameling – constateren dat er meer goede voornemens en beleidsplannen waren dan daadwerkelijk goed gedrag. Ook op de door Buijs onderzochte redacties (De Gelderlander en het Brabants Dagblad) bleek de tredmolen van de gewoonte een vervelende dwarsligger.

“En wat doen we online?” Bij de presentatie van haar boek liet Tameling een foto zien van de computer van een redacteur waar die vraag daadwerkelijk op een post-it stond geschreven. De werkelijkheid haalde de overdrijving in, nog voor de inkt van het onderzoek droog was. Het was meteen het beste antwoord op de kritikasters die Tameling verweten dat haar conclusies door de tijd achterhaald waren. Niet toevallig exact dezelfde opmerking trouwens die Buijs vorig jaar naar zijn hoofd geslingerd kreeg. Natuurlijk, er is de afgelopen twee jaar vast wat veranderd, maar wie eerlijk is moet constateren dat op alle gemengde redacties waar online formeel “first” is geworden, de beleidsnota’s minder hard zijn dan de praktijk.

De vraag die mij de afgelopen dagen dan ook vooral bezig hield is: en wat doen we met “En wat doen we online”? En trouwens, wat doen we met Buijs’ “Regiojournalistiek in spagaat”? En, nu we toch bezig zijn, wat doen we met het waardevolle scenario-onderzoek dat het stimuleringsfonds voor de journalistiek onlangs presenteerde? De vragen (inderdaad, retorisch) sluiten enigszins aan bij de verzuchting die ik hier eerder uitte: de hoeveelheid onderzoek (en de kwaliteit daarvan) staat niet meer in balans met de lessen die de praktijk eruit wil trekken.

Natuurlijk, Tameling is pas net klaar dus laten die redacties haar bevindingen eerst maar eens tot zich nemen. Maar Kees Buijs is na zijn promotie op bezoek geweest bij verschillende redacties en het zou mij verbazen als op een van die journalistieke bolwerken nog een stickertje op een computer te vinden is met een verwijzing naar diens kwaliteitsvraag. En het scenario-onderzoek is internationaal opgepikt, maar vooral door mede-analisten. In hoeverre redacties daadwerkelijk gebruik zullen maken van de aangeboden doe-het-zelf-toolkit is vooralsnog niet in te schatten, maar ik heb er een hard hoofd in.

Voor de duidelijkheid: dat traditionele redacties niet zouden willen vernieuwen, is zeker niet waar. Er zijn – op alle Nederlandse redacties – volop initiatieven om bewegingen te bewerkstelligen in de richting van een nieuwe horizon. Van onwil is geen sprake maar een beetje meer structuur zou geen kwaad kunnen. Om te beginnen door het overvloedige binnen- en buitenlandse onderzoek op waarde te schatten en er lessen voor de praktijk uit te trekken.

Ik wens Klaske Tameling dan ook een uitpuilende agenda.