Raad voor Cultuur pleit voor andere insteek regionale en lokale media

Te veel bestuur, te weinig samenwerking met lokale omroepen en commerciële media. De Raad voor Cultuur laat geen misverstand bestaan over de manco’s in het rapport “Het nieuwe publieke regionale mediabedrijf: betrokken en betrouwbaar” dat de Stichting Regionale Omroep Overleg en Samenwerking (ROOS) in april 2015 publiceerde. De Raad gebruikt er in zijn advies aan staatssecretaris Sander Dekker (Media, VVD) vooral opbouwende woorden voor, maar dat verhult de onderliggende gedachte geenszins. Op tenminste één onderdeel had de Raad zelfs nog wat verder kunnen gaan, maar dat laat onverlet dat de gekozen richting de juiste is. 

De Raad voor Cultuur:

De raad is voorstander van een sterke en onafhankelijke regionale omroep. Hij ziet kansen voor de toekomst van de regionale omroep en heeft veel waardering voor de inzet van medewerkers in de regio, die met beperkte middelen tot goede en voor de regio belangrijke audiovisuele producties komen. Na lezing van Het nieuwe publieke regionale mediabedrijf: betrokken en betrouwbaar concludeert de raad het volgende. De regionale omroepen zijn gedwongen te bezuinigen. Dat is een politiek feit. ROOS wil die bezuinigingen deels opvangen via een nieuw bestuursmodel. Dat is een gedurfde keuze. Helaas leidt die keuze in de visie van de raad niet tot de noodzakelijke vergroting van de slagvaardigheid en efficiëntie. Ze leidt eerder tot vertraging, tot meer bestuurlijke drukte en tot belangenverstrengeling. Daarnaast concludeert de raad dat ROOS te weinig oog heeft voor samenwerking met lokale publieke en private mediapartijen. 

Hoewel de staatssecretaris niet specifiek had gevraagd om dit advies, bewijst de Raad hem hiermee een goede dienst. Deze kan het namelijk heel goed gebruiken in de verdere besluitvorming rond het concessiebeleidsplan van de NPO. Hopelijk komt dat hiermee eindelijk in een iets breder (niet puur omroep-georiënteerd) kader te staan.

De Raad voor Cultuur constateert in het advies dat de regionale omroepen vrijwel allemaal provincie-gericht zijn, terwijl het de vraag is of dat handig is. Om in termen van mijn eigen provincie te spreken: iemand uit pakweg Asten heeft niet zo gek veel met de ontwikkelingen in Halsteren. Áls daarover al wordt bericht, want de Raad constateert ook dat regionale omroepen zich vooral op de grote steden concentreren. Omdat ook regionale kranten meer moeite krijgen de lokale situatie goed in het vizier te houden, ontstaan hier lacunes, zo zegt de Raad. Sterker nog, de Raad vreest dat er regionale kranten zijn die binnen afzienbare tijd het loodje leggen. Alternatieven zijn er wel, deels ook met inbreng van het niet-professionele publiek, maar in de meeste gevallen zijn die (nog) niet sterk genoeg.

De Raad had oplossingen verwacht van de ROOS voor dit probleem, maar mist die in het uitgebrachte rapport. Daarom komt ze met drie concrete aanbevelingen:

  1. een eenvoudigere bestuursstructuur (met minder mensen ook)
  2. samenwerking met landelijke omroepen
  3. samenwerking met lokale omroepen en private mediapartijen

Inderdaad, dat is een trio dat niet bepaald uitblinkt in vernieuwingskracht. De ideeën zelf en de gepresenteerde uitwerking zijn al veel vaker voorbij gekomen, maar dat maakt ze niet minder sterk. Anders gezegd: de Nederlandse mediagebruiker zou hier enorm mee geholpen zijn en het is te hopen dat Dekker dat nu ook inziet. Waarschijnlijk duurt het altijd even voordat op zich goede ideeën de kans krijgen in te dalen in een systeem dat zijn bestaansrecht haalt uit een oude werkelijkheid. En misschien is dit het moment waarop de afwijzingsreflex eindelijk doorbroken kan worden. Daarvoor is vanzelfsprekend ook politiek draagvlak nodig, maar een echte revolutie is het vooralsnog nou ook weer niet.

De bevestiging van het belang van samenwerking met de landelijken haalt de Raad onder meer uit Vlaanderen en Engeland. Door op de landelijke zenders “vensters” in te bouwen voor bijvoorbeeld regionaal nieuws kunnen beide kanten aan kracht winnen. Dat zou kunnen door aan het einde van een aantal journaals een vast blokje regio in te bouwen. In mijn situatie: om half negen krijg ik, aansluitend op het NOS-journaal, het belangrijkste Brabantse nieuws te zien, zonder daarvoor van zender te hoeven switchen.

Dat zou zeker winst zijn, maar helaas trekt de Raad deze lijn niet door. Want als het logisch is om om half negen met het Brabantse nieuws te komen, dan is het nog mooier als ik om kwart voor negen het nieuws uit mijn echte directe omgeving krijg: Eindhoven en Valkenswaard. Technisch natuurlijk allemaal geen probleem en voor de gebruiker wederom een prachtige – en logische – aanvulling.

Onnodig te zeggen dat dit systeem nóg beter zou werken als op alle niveaus het aanbod van zowel commerciële als publieke bronnen een rol kan spelen, maar dat is voor deze staatssecretaris vast nog een brug te ver. Als alternatief daarop (of eerste stap in die richting) wijst de Raad wel – nogmaals – op het belang van regionale mediacentra, waarbinnen publieke en private media kunnen samenwerken en beiden kunnen profiteren van opdrachten van de overheid. En dat zou inderdaad al een mooie sprong voorwaarts zijn. De Raad:

De raad adviseert dat ROOS na de bestuurlijke reorganisatie op den duur samen met OLON streeft naar een samensmelting van de 13 regionale en 278 lokale publieke omroepen tot mediacentra. Hieraan kunnen verschillende partijen deelnemen: commerciële media, culturele en maatschappelijke organisatie, maar ook burgerinitiatieven en lokale overheden. In deze toekomstige constructie kan de ROOS-organisatie voortbestaan als concessiehouder van de centrale technische en administratieve infrastructuur, en een inhoudelijk platform voor gedeelde formats en onderlinge uitwisseling zijn. Bij de subsidie vanuit de overheid ligt de zwaarte op het meefinancieren van de primaire journalistieke functie in de regio, en niet op het meefinancieren van het kanaal zelf (krant, lokale omroep, webinitiatief etc.). Provinciale en lokale overheden kunnen voorlichting aan de burgers inkopen, zoals ze dat nu al vaak doen in de huis-aan-huisbladen, of journalistieke coproducties financieren. 

Als dát al eens zou lukken, dan waren we als maatschappij, als mediabedrijven en als individuele nieuwsconsument al enorm geholpen. Kortom, beste staatssecretaris, de voorzet is op maat, zet het hoofd er maar onder.