Dat schept een band: journalistiek en overheid in soortgelijke zoektocht

In mijn werk als verslaggever voor e52 zit ik tegenwoordig weer vaak aan tafel bij gemeenteraadsleden, ambtenaren, wethouders en andere direct of indirect aan de gemeente gelieerde medewerkers. De gesprekken gaan vanzelfsprekend vooral over lokale onderwerpen, maar in de meeste gevallen dwalen we ook nog wel even af naar andere, meer fundamentele zaken. Dat heeft alles te maken met een gemeenschappelijke zoektocht. Of beter gezegd: een gescheiden zoektocht met gemeenschappelijke kenmerken.

Immers, de lokale overheid – althans die in Eindhoven – lijkt net zozeer “zoekende” als de journalistiek. En in beide gevallen heeft het te maken met veranderende maatschappelijke omstandigheden die vragen om rigoreuze aanpassingen. Maar waar de journalistiek worstelt met een vergaande democratisering van het vak (door brede toegankelijkheid van middelen en platforms kan iedereen journalistieke activiteiten ontplooien), gaat het bij de overheid om de democratie zelf. De grote vraag: in hoeverre functioneren de middelen nog die we lang geleden bedacht hebben om ons politieke systeem vorm te geven? Niet voldoende, is het antwoord. In grotere woorden: de democratie zal opnieuw moeten worden uitgevonden.

“Wederzijdse participatie”
En terwijl de analyse van het probleem nog in volle gang is, zijn er ook al stappen gezet om het vervolg vorm te geven. Als een zoektocht weliswaar, maar met volle overtuiging, zet de gemeente her en der het middel van de participatie in. De wederzijdse participatie, in de woorden van de gemeente zelf. De gedachte is: hoe meer de overheid uit handen geeft, des te eerder de burger – alleen of in collectieven – tot initiatieven zal komen. En áls die initiatieven dan ontstaan, kan de overheid de helpende hand bieden; ziedaar de wederkerigheid van de participatie. Cocreatie dus in plaats van zenden en ontvangen. Niemand weet of het gaat werken – niet voor niets noemt het gemeentebestuur het een zoektocht – maar het proces zelf is de moeite waard.

Je hoeft niet heel diep te gaan om de parallellen te kunnen zien. Journalistiek en overheid, in verschillende schuitjes maar op dezelfde wilde zee. Hun rol in de samenleving blijft vanzelfsprekend verschillend, maar de tijden dat we simpelweg konden vaststellen dat de een bestuurde en de ander controleerde, zijn voorbij. Een overheid die het besturen bewust uit handen geeft heeft een andere benadering vanuit de journalistiek nodig. En de journalistiek kan zich niet simpelweg meer (alleen) als vierde macht opstellen maar is – mede als gevolg van de eigen zoektocht – vanzelf een betrokkene geworden. En precies daar ontmoeten overheid en journalistiek elkaar.

Ook de journalistiek
Niet alleen de overheid experimenteert met de mogelijkheden van een “nieuwe democratie”. Ook binnen de journalistiek is dat het geval. Door de komst van internet is informatievergaring en -verspreiding extreem gedemocratiseerd. Natuurlijk kon ook vóór internet iedereen die dat wilde zich journalist noemen. Maar in de praktijk was dat onmogelijk omdat de beoefening van het vak afhing van het bezit van een drukpers, een uitzendstraat, een distributieapparaat en meer van dat soort kostbaarheden. Dat leidde tot een monopolie op journalistiek bij een selecte groep professionals.

Nu is nog steeds niet iedereen journalist, maar – dankzij de toegankelijkheid van devices en platforms – wel publicist/uitgever. De verschillen tussen professionals en amateurs zijn daarmee minder vanzelfsprekend geworden. Dat maakt het voor professionele journalisten, al dan niet verbonden aan gevestigde media, lastiger om hun bestaansrecht te bewijzen. Immers: als informatie overal in overvloed aanwezig is, wat/wie bepaalt dat welke informatie ergens komt bovendrijven? Algoritmes, robots, social networks, merken of toch nog die oude journalist?

De vraag is zelfs aan de orde of het maatschappelijk gezien überhaupt nog nodig is om journalisten die aparte rol te laten behouden – of te laten terugveroveren. Misschien zijn er inmiddels betere manieren om als burger op de hoogte te blijven van relevante ontwikkelingen op diverse niveaus. Hoe dan ook: de klassieke taak van de journalist (het informeren van een breed publiek over relevante ontwikkelingen in hun belevingswereld en dat via duiding, analyse en opinie in een begrijpelijk kader plaatsen) is inmiddels behoorlijk versnipperd. Vroegere zenders en ontvangers zijn daarbij actief in elkaars rol. In een grote onderlinge interactiviteit. In overheidstaal: in wederkerige participatie.

Verdienmodellen
Wat het daarbij voor de journalistiek wel extra ingewikkeld maakt is dat de traditionele verdienmodellen rondom nieuws (advertenties en abonnees) opdrogen. Daarmee staan de organisaties die traditioneel journalistiek faciliteerden (uitgevers en omroepen) onder grote druk. Die druk zal voorlopig niet afnemen. Juist omdat deze trend de kwaliteit van de  journalistiek kan aantasten (redacties krimpen, journalisten krijgen meer taken en minder tijd per taak), komt bijna vanzelf de overheid in beeld. Immers, de overheid is gebaat bij een goed en betrouwbaar geïnformeerde samenleving en ziet dat dat niet meer vanzelfsprekend is. En de journalistiek, van oudsher nogal afwijzend tegenover overheidssteun, merkt dat het water aan de lippen staat en zoekt naar oplossingen.

Er zijn, kortom, zowel maatschappelijke als financiële redenen waarom overheid en journalistiek dichter bij elkaar zijn gekomen. Een minder bestuurlijke overheid en een meer betrokken journalistiek zijn het eerste zichtbare resultaat. En geldstromen van de een naar de ander zijn bespreekbaarder dan ooit.

Dat alles laat onverlet dat er nog steeds twee aparte schuitjes op die woelige baren varen, met elk een eigen kapitein en stuurman. Het laat dus ook onverlet dat we van de journalistiek mogen blijven verwachten dat die machtsmisbruik bij welke overheidsdienaar dan ook aan de kaak stelt. Net zoals het onverlet laat dat we van de door ons gekozen stads- of staatsbesturen mogen vragen om hun bestuurlijke verantwoordelijkheid nemen, hoe participerend de samenleving ook wordt.

Maar het past niemand meer om bewust blind te zijn voor de overeenkomsten tussen de zoektocht van beide grootheden.