Regionale samenwerking in journalistiek gaat niet zonder politieke wil

Net op het moment dat het stimuleringsfonds voor de journalistiek zich buigt over de beste voorstellen in de aanvragen rond regionale mediacentra, trekken BN/De Stem en Omroep Brabant de stekker uit hun twee jaar geleden gestarte samenwerking. Belangrijkste argument: de mediawet maakt een echt succes in feite onmogelijk. En dat is, zeker met de beoogde vier regionale mediacentra in aantocht, een onrustbarend geluid.

Omroep Brabant-directeur Henk Lemckert, in een persverklaring:

“Uitgever en omroep hebben hun positieve ervaringen de afgelopen jaren gedeeld met de landelijke politiek, het stimuleringsfonds, het ministerie van OC en W en het Commissariaat voor de Media. Dit in de hoop dat in de nieuwe Mediawet de mogelijkheden voor publiek/private samenwerking zouden worden verruimd, met name door het omroepen toe te staan op winstgevende wijze samen te werken met kranten. Nu die wijziging uitblijft en er weer een nieuw experimenteel traject wordt opgezet, vinden BN DeStem en Omroep Brabant het tijd om ieder hun eigen weg te gaan.”

De timing van het besluit is op het eerste oog curieus. Op aandrang van staatssecretaris Sander Dekker is immers net nu een procedure gestart om regionale journalistieke samenwerking te stimuleren. Met, per initiatief, een subsidie van 150.000 euro per jaar moeten uiteindelijk drie of vier regionale mediacentra gaan ontstaan. De eerste zou nog dit jaar bekend moeten worden. Een vereiste voor deelname aan deze regeling is samenwerking tussen verschillende partijen. Niet per se tussen publieke en private spelers, maar gezien de rol die regionale en lokale publieke omroepen momenteel spelen, ligt het voor de hand dat die zich gaan melden. Om uiteindelijk wellicht tegen dezelfde obstakels aan te lopen als waar Henk Lemckert aan refereert.

Hoe logisch is het eigenlijk dat Omroep Brabant en de Persgroep (waartoe BN/De Stem behoort) hun project stopzetten? Er is niets wezenlijks veranderd in de mediawet, dus je zou kunnen zeggen dat ze hun samenwerking gewoon door hadden kunnen zetten. Is het niet zo dat krantenuitgever geen zin meer heeft in al het gedoe met een publieke partij en dat de omroep moe is van het gesleur aan een onwillige partner? Dat zal vast een rol spelen, maar Lemckert heeft wel degelijk een punt. De afgelopen jaren heeft hij met de Persgroep geïnvesteerd in een model dat pas echt tot wasdom zou kunnen komen als de mediawet en de wijze waarop het Commissariaat voor de Media daar mee omgaat uiteindelijk voldoende speelruimte zouden bieden. En speelruimte, dat betekent vooral ook dat een commerciële uitgever (zoals BN/De Stem) geld zou moeten kunnen verdienen met producten die deels met publieke middelen zijn gemaakt. Nu dat niet het geval blijkt te zijn, ziet de Persgroep geen verdienmodel meer in de samenwerking. “En dan kan ik ze allerminst verwijten dat ze hun heil elders gaan zoeken”, zegt Lemckert nu.

Geen verwijten richting Persgroep dus, maar dat ligt anders richting ministerie en Kamer. Lemckert zegt aan het lijntje gehouden te zijn door staatssecretaris en politiek. Zo’n beetje elke politieke partij is over de vloer geweest bij het project in Breda en allemaal vonden ze het prachtig. Diverse keren zijn Lemckert en zijn collega’s van de Persgroep bij het ministerie over de vloer geweest, met hele batterijen juristen voor de broodnodige toelichting. Ook draafde hij op voor een hoorzitting van de vaste Kamercommissie. Maar dat alles bleek uiteindelijk niet genoeg voor de staatssecretaris en de Kamer om zich hard te willen maken voor nieuwe wetgeving. Met een – tamelijk makkelijke – verwijzing naar Europese wetgeving heeft Dekker afgezien van een aanpassing.

Dat is zuur voor de nieuwsvoorziening in West-Brabant, maar vooral een heel slecht signaal naar de rest van het land. Wat betekent dit bijvoorbeeld voor het initiatief 1Limburg, waarbinnen Media Groep Limburg en L1 samenwerken? Of voor Newsroom Twente, van TC Tubantia en de lokale publieke omroep TV Enschede FM? En wat gaat er terecht komen van de nieuwe regionale mediacentra, althans waar deze gebaseerd zijn op publiek-private samenwerking?

De regionale en lokale journalistiek heeft het moeilijk. De oorzaken daarvan zijn divers en liggen deels bij de uitgevers zelf, maar van de consequenties heeft de hele maatschappij last. Hoe minder goede journalistiek, des te slechter onze democratie zal functioneren. Het is om die reden belangrijk dat de overheid stappen zet om goede journalistiek, ook op regionaal niveau, te faciliteren. Maar wat we nu zien lijkt op blazen en zuigen tegelijk. Wel een stimuleringssubsidie, maar geen vrijheid om dat geld in te zetten voor een gezonde journalistieke exploitatie. Zonder de politieke wil om daadwerkelijk en structureel journalistieke functies te stimuleren, blijven we hangen in halfslachtige beloftes, teleurgestelde initiatiefnemers en een slecht bediend publiek. En zal er nooit wat terecht komen van de zo gepropageerde regionale samenwerking.

De nieuwe mediawet is eerder het resultaat van een iets te traag gestolde politieke werkelijkheid van vroeger dan een mediakompas voor tijden van internet. Of het nu om de rol en functie van de publieke omroep gaat (waar de discussie tot nu toe vooral over ging), of om de ondersteuning van de journalistiek zelf (waar het echt over zou moeten gaan), aan half werk heeft de maatschappij geen behoefte.

Tegen die achtergrond mogen we hopen dat het besluit van Persgroep en Omroep Brabant, hoe onwelkom ook voor de West-Brabantse nieuwsconsumenten, een krachtig signaal naar de politiek vormt: de kersverse nieuwe mediawet is alles behalve een eindstation. Ze is eerder een iets te traag gestolde politieke werkelijkheid van vroeger dan een mediakompas voor tijden van internet. Of het nu om de rol en functie van de publieke omroep gaat (waar de discussie tot nu toe vooral over ging), of om de ondersteuning van de journalistiek zelf (waar het echt over zou moeten gaan), aan half werk heeft de maatschappij geen behoefte. En al helemaal niet als dat halve werk ook nog eens tot stappen achteruit leidt.