Mediawet legt behoefte aan fundamenteler debat bloot

Het was een bijzondere vergadering in de Eerste Kamer gisteren. Vanwege de merkbare worsteling van de staatssecretaris, het nieuwe uitstel van de besluitvorming en de aanhoudende onzekerheid voor de direct betrokkenen: alles en iedereen rondom de nationale en regionale publieke omroepen. Door dat alles zou je bijna vergeten dat het debat zelf nog steeds een anachronisme van jewelste is. We noemen Dekkers voorstel een mediawet, maar wat er besproken wordt is niet meer dan een regeling voor de publieke omroep.

Ok, als het aan Sander Dekker ligt, gaat het in de nieuwe mediawet niet meer alleen om uitzendingen op radio en tv en moeten de daar actieve omroepen ook de vrijheid hebben andere kanalen (voornamelijk online) in te zetten voor hun boodschap. Maar dat laat onverlet dat het systeem dat vlak na de oorlog bedacht is en eigenlijk in essentie nog overeind staat, inmiddels een nogal kunstmatige variant op de werkelijkheid is. In de begintijd van de publieke omroep was het nut ervan groot: niet alleen was er schaarste aan content op de audiovisuele media, maar het was ook nog eens duur om te maken en er was een “zorg” bij de overheid om een informatiestroom te faciliteren die anders moeilijk realiseerbaar zou zijn.

Inmiddels is er geen schaarste meer en hebben vele commerciële partijen bewezen dat het loont om te investeren in deze takken van media. Maar nog veel belangrijker: door de komst van het internet is het onderscheid tussen ooit scherp onderscheiden kanalen (tv, radio, print) vervaagd. Online komt alles samen en wordt de spanning tussen publieke en private partijen voelbaarder dan ooit. Er is niet veel denkkracht nodig om te constateren dat er geen gelijk speelveld meer kan zijn als een met publieke middelen gemaakte app de concurrentie aangaat met eentje waarvoor een commercieel opererende onderneming zware investeringen moest doen.

Een gemiste kans voor de samenleving

Dat verdwijnende “level playing field” was al een zorg sinds de komst van commerciële omroepen, maar werd natuurlijk pas echt expliciet sinds letterlijk alle media-initiatieven op hetzelfde (online) platform actief zijn. Dekker voelde dat, zo blijkt uit zijn concept-mediawet, ook wel aan en het is mede om die reden dat hij een aantal tamelijk controversiële veranderingen wilde doorvoeren in het publieke stelsel. Maar hoe dapper ook, het resultaat (of wat daar na alle te verwachten noodzakelijke compromissen ook van over zal blijven) is en blijft politiek. Het is een wet die beweert “de media” te coveren maar in werkelijkheid slechts een aanpassing is van een achterhaalde regeling voor een klein deel van dat speelveld. De achteruitvarende stoomtanker verlegt de koers een paar graden, terwijl de motor volle vaart de andere kant op zou moeten. Een gemiste kans voor de samenleving.

Het debat van gisteren geeft de schijn van een stevige clash van extremen, maar verdoezelt in werkelijkheid de echte behoefte. Gezien het principiële vuur en de volharding waarmee de standpunten over tafel gingen én het opnieuw uitgestelde besluit lijkt de democratie hier haar werk meer dan behoorlijk te doen. Maar wie door de vernislaag van lobbyïsme wil kijken, ziet slechts principes in de marge van een achterhaalde wereld. Dat veel mensen veel te verliezen hebben schept een band voor behoudzucht en ontkenning. En dat terwijl de maatschappij zo’n behoefte heeft aan vernieuwing.

Een veel fundamenteler debat zou daarom vooraf moeten gaan aan de besluitvorming over de publieke omroep. Met als startvraag welke maatschappelijke media-behoeften door de marktpartijen niet of onvoldoende ingevuld kunnen worden en wat dat betekent voor de rol van de overheid.