Journalistiek: liever een open-deurmerk dan een keurmerk

[Dit is de tekst van een inleiding die werd uitgesproken bij de uitreiking van de Reuring Prijs van de Noorder Pers Sociëteit]

Wie de discussie binnen en over de journalistiek een beetje volgt, kan het niet ontgaan zijn: er lijken meer oproepen dan ooit te zijn voor afsluiting van het vak. Met een keurmerk (Jo Bardoel), een online register (Jeroen Smit), een white list (Defensie), een lidmaatschap van de club (Egbert Myjer) of een NVJ-pasje (Folkert Jensma) zou duidelijk moeten zijn wie zich wel of niet een “echte journalist” zou mogen noemen. Doel van dit alles is orde aan te brengen in de chaos van publicisten en publicatieplatforms en mede daardoor het publiek te laten zien wie betrouwbaar is en wie niet.

Een nobel streven – althans, ik ga er even van uit dat de bedenkers ervan deze ideeën met de beste bedoelingen blijven opperen. Dat kan ook niet anders, als je kijkt naar de pleitbezorgers van de keurmerk-gedachte: mensen die niet over een nacht ijs zijn gegaan. Ze worden daarin ondersteund door voorbeelden uit het buitenland, waar her en der inderdaad veel geslotener vormen van onze beroepsgroep functioneren. Bovendien lijken ze ook inhoudelijk een punt te hebben: dat wat door het publiek als journalistiek kan worden beschouwd, is in veel gevallen onnauwkeurig, commercieel gedreven, op sensatie gericht of zelfs ronduit rellerig. Waarom daar geen paal en perk aan stellen, door voortaan elke wel betrouwbare bijdrage (of bijdrager) te voorzien van een goedkeuringsstempel? Dan verwijder je toch vanzelf de rotte appels uit de mand?

Het simpele antwoord is: omdat de oplossing erger is dan de kwaal. Ik noem drie redenen.

1. Om te beginnen zijn er de praktische bezwaren: niemand is 100% goed of slecht, dus geef maar eens aan welk verhaal en welke auteur wanneer welke stempel verdient. Vooralsnog hebben we geen algoritme bedacht dat kan bepalen of een journalistiek product voor “biep-biep… 63,753% juist” is, waarna de betreffende redacteur zijn gemiddelden op zijn LinkedIn-profiel kan posten.

2. Dan zijn er, belangrijker, de principiële afwegingen. Heel eenvoudig: we hebben een grondwet die een ieder de vrijheid van meningsuiting toekent, voor zover deze niet in de knel komt met andere wetten. Aan wie is het dan om vooraf te bepalen dat dat recht voor de een een hogere status heeft dan voor de ander? Dat druist zo in tegen de bedoeling van dit – ook door de Verenigde Naties benadrukte – grondrecht, dat we daar beter heel ver weg van kunnen blijven.

3. En tenslotte is er het risico dat wij als journalisten binnen de veilige muren van ons keurmerk alleen nog maar meer overtuigd raken van onze Hoge Kwaliteit en ons ten onrechte gaan koesteren in ons Grote Gelijk – tot de dood erop volgt.

Maar er is ook een ander, minder negatief antwoord: je zou, in plaats van te proberen de rotte appels uit de mand te halen, ook de mand zelf wat groter kunnen maken. Voeg peren toe, bananen en mandarijnen en voor mijn part zelfs wat tropische vruchten. Wat zeg ik: zoveel mogelijk tropische vruchten!

Want als ons vak ergens behoefte aan heeft, dan is het wel vers bloed. Een keurmerk zal ons toch al behoorlijk in zichzelf gekeerde bestaan alleen nog maar versterken. “Kijk ons eens Goed zijn! Kijk de rest van de wereld eens Slecht zijn!” Laten we onszelf niet te lang voor de gek houden: ja, er is meer kwaliteit nodig, ja we moeten af van de onnauwkeurige, commercieel gedreven, op sensatie gerichte of zelfs ronduit rellerige verslaggeving waar ik het net over had. Maar door ons af te zonderen bereiken we het tegendeel. Heel simpel: in ons eentje gaan wij die benodigde kwaliteit niet halen. Hoe meer pottenkijkers hoe beter. We hebben data-analysten nodig, designers en design-thinkers, programmeurs, communicatiespecialisten, economen, bedrijfskundigen, statistici, psychologen, ja zelfs wis- en natuurkundigen. En om dezelfde reden hebben we ook behoefte aan machines: robots die secuurder te werk gaan dan wijzelf en daarmee kunnen bijdragen aan een feitelijkere journalistiek. Ook daarvoor zullen we ons moeten openstellen. En rap een beetje.